maandag 21 juli 2014

8.Herkomst?





          1.      DE PROTO‑FENICISCHE PERIODE.


 

          Van de Feniciërs in het oostelijke deel van de Middellandse zee weten we beduidend minder af dan van de Carthagers/Puniërs uit het westelijke deel van hun zee. Nochtans hebben recente opgravingen steeds meer aan het licht gebracht. Meer dan 2000 jaar weten de (Proto‑)Feniciërs hun bij tijd en wijlen zeer beperkte zelfstandigheid te handhaven. Met de komst van Alexander de Grote valt definitief het doek over de beperkte mate van zelfstandigheid als Fenicische steden en gaan de Feniciërs op in de Hellenistische staten. Twee millenia lang functioneren zij echter als intermediairs, tussenhandelaren, diplomaten en als schakels in zijn algemeenheid tussen de grotere mogendheden. Daarmee bouwden zij veelal een grote rijkdom op, maar die zou hun door afgunst uiteindelijk ook weer noodlottig worden.

 

          1.1.    Herkomst van de Feniciërs.

 

          De meest geponeerde opvatting is, dat de Feniciërs afstammelingen van

          de Negev‑semieten zouden zijn. Tussen 4000 en 2700 vinden we tal van

          Semietische volksverhuizingen in het Nabije Oosten. Kanaänieten,

          Assyriërs, Akkadiërs en Amorieten penetreren in de vruchtbare valleien

          van de Tigris, Eufraat en de Jordaan. De proto‑Feniciërs vestigen zich

          in deze tijd waarschijnlijk voor het eerst in kleine groepjes aan de

          Middellandse zeekust. 1)

          Hoe precies de tocht vanuit de Negevwoestijn naar de kust verlopen is,

          is onbekend. Wel staat vast, dat het een langdurige operatie moet zijn

          geweest. Voordat iedere stam zijn min of meer blijvende verblijfplaats

          had gevonden, zijn honderden jaren verstreken. Van Feniciërs schijnt in

          de Negevwoestijn nog geen sprake te zijn. Vrij algemeen wordt aangenomen,

          dat het Fenicische volk, zo dat ooit vorm heeft gekregen, pas na vestiging

          aan de Levantkust, gestalte heeft gekregen. In feite is dit een smeltkroes‑

          effect geweest en zijn de Feniciërs voortgekomen uit de reeds woonachtige

          bevolking, Negev‑Semieten, Zeevolken e.d.

          Grote volksverhuizingen vinden hun geografische oorsprong meestal in

          onherbergzame gebieden. De Mongolen begonnen hun tochten in de Gobi‑

          woestijn. De Semieten vanuit de Negev en de Arabische woestijn.

          Woestijn is overigens een wat te sterke uitdrukking voor dat gebied in

          die tijd. Het klimaat was namelijk een stuk aangenamer en er was een

          steppevegetatie. Het klimaat werd droger en dat kan de reden geweest

          zijn, waarom ook de proto‑Feniciërs op zoek gingen naar nieuwe

          woonplaatsen. 2)

 

         

     XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

          1).D.Harden in "The Phoenicians" noemt twee pieken van infiltratie door

             de Kanaänieten in 2350 en tegen 2000, met de aantekening wie dan wel

             de Giblieten waren, die immers veel eerder reeds aanwezig waren in

             wat later Byblus werd genoemd.

          2).Voor andere stellingnames (zoals Hadremaut, Bahrein e.d.) wordt ver-

             wezen naar Deel Drie onder Herkomst.


          C H J de Geus stelt in zijn artikel "Nomaden en sedentairen in het

          oude Midden‑Oosten", dat de z.g. golventheorie te eenvoudig is. De

          migratoire bewegingen waren veel ingewikkelder dan eenvoudig van tijd

          tot tijd een explosieve migratiegolf naar het cultuurland aan de zee of

          naar de grote vlaktes aan de rivieren. Andersom schijnen er ook juist

          bewegingen geweest te zijn, die dus juist van het cultuurland naar de

          woestijn gingen. Daar in de woestijn was men immers nog een echt vrije

          nomade en daar ook kon men zich onttrekken aan de verplichtingen van

          grote en kleine staten.

          Het is ook meer regel, dat woestijn en cultuurland door elkaar heen

          liggen, vaak op korte afstanden van elkaar. Er is dan ook, naar mijn

          opvatting, reeds vroeg sprake geweest van forensisme of

          seizoensmigratie. Een en ander verklaart ook mede het zeer langzame

          proces van vestiging van de proto‑Feniciërs aan de kusten van de

          Levant. Er was veeleer sprake van een soort infiltratie en niet zozeer

          van massale in tijd korte migratiebewegingen. Vaak ging de eerste uit

          een nomadenstam tijdelijk wonen en werken in bijvoorbeeld Byblos of

          Oegarit en keerde na verloop van tijd terug naar zijn stam. Het volgende

          seizoen gingen er meer uit die stam naar de kust en sommigen blijven

          permanent achter. Zo zette zich het proces langzaam in werking, totdat

          een groot deel van de stam zich blijvend aan de kust had gevestigd. Dit

          is de meest waarschijnlijke en plausibele gang van zaken bij het proces

          van het vertrek uit de woestijn en de vestiging aan de kust door o.a. de

          proto‑Feniciërs.

 

          Niettemin zijn er ook andere theorieën over herkomst en vestiging door

          de proto‑Feniciërs. Een ervan wil ik hierbij kort aanstippen, omdat

          het een voorbeeld is van de veelheid van te ver gezochte verklaringen.

          Volgens een romantische theorie zouden de Feniciërs identiek zijn met

          de inwoners van het (latere) koninkrijk Sheba aan de Rode Zee. Aldaar

          zouden zij tussen 3000 en 2000 met de Egyptenaren in aanraking zijn

          gekomen, waarna hun blik zich naar het noorden richtte. Niet voor niets

          onderneemt koningin Bilkis van Sheba vele eeuwen later een karavaantocht

          naar Jeruzalem. Zij zocht haar verre verwanten op, die juist in die tijd

          in grote getale aanwezig waren in het Joodse rijk.

          Deze theorie illustreert tevens de grote onzekerheid, waarmee wij nog steeds

          worstelen bij de vraag, waar de Feniciërs eigenlijk vandaan komen. De kans,

          dat het aldus gegaan is, moet echter als zeer klein worden bestempeld.

 
ncfps