donderdag 24 juli 2014

25.De gouden eeuw deel1.




          2.6.    De gouden eeuw van de Feniciërs.

 

          Deze valt voor de Feniciërs rond het jaar 1000. Ze zijn dan de

          onbetwiste heersers van de Middellandse ze. Er is nu geen concurrent meer van

          betekenis in de verre omtrek op hun terrein van handel en scheepvaart te

          bekennen. Ze zijn de scheepvarende natie voor wie maar wil, dat er

          goederen of producten worden verscheept. Ze zijn zo gewiekst in het

          zaken doen, dat ze al spoedig ook tot de meest welvarende natie in die

          periode van de oudheid zijn. Dat laat hen niet hoogmoedig worden door te

          trachten een wereldrijk te stichten of door andere volken te gaan

          overheersen. Ze blijven de eenvoudige nomadenstam, die genoeg heeft aan

          zijn factorijen en aan zijn enkele grote steden volgestapeld met

          goederen en rijkdommen. Ze zijn vredelievend en toch machtig door hun

          rijkdom en vloot. Ze leven op en goeddeels van de zee op schepen, rotsen,

          eilanden of kapen in de zee. Het is maar een klein volk, maar toch

          ontsluiten zij de gehele Middellandse zee voor de mensheid en bovendien

          bevaren zij de Rode zee en zelfs voor een deel de Atlantische oceaan.

          Zij zijn het, die het alfabetisch schrift voor de practijk geschikt

          maakten en het verbreiden. Zij maakten vele onderontwikkelde volken

          bekend met de meest uiteenlopende producten en informatie.

          In feite blijft het niet bij deze ene gouden eeuw rond 1000. Van 1150‑

          850 beleeft Fenicië drie volle eeuwen, waarin de Fenicische steden

          aan de Levant de toon gaan aangeven in de Middellandse zee met hun schepen,

          factorijen en handelsproducten.

 

          2.6.1.  Het Fenicische schrift.

 

          Rond 1000 komt ook volwaardig het Fenicische schrift in gebruik langs

          de kusten van de oostelijke Middellandse zee. Het heeft 22 lettertekens,

          maar nog geen klinkers. De Grieken zullen dit alfabetisch schrift

          overnemen en voegen er dan klinkers aan toe. Ook het Punisch en Iberisch

          schrift stamt in directe lijn van het Fenicisch af, terwijl het

          Latijns en het Etruskisch indirect hier van afstammen.

          Belangrijke aanwijzingen , dat de Feniciërs als eersten in de  1)

          klassieke oudheid het alfabetisch schrift hanteerden zijn :

          a.de Sinaï‑inscripties uit ca.2000.

          b.de sarcofaag van Ahiram van Byblos.

          c.de bibliotheek van Ras Shamra met een alfabetisch spijkerschrift uit

          de 14e eeuw.

          d.diverse speerpunten met inscripties uit de 11e eeuw.

         

          XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

          1) : Zie Wereldgeschiedenis deel 2 Nabije Oosten en Griekenland/De Haan

              Bussum/Staatsuitgeverij Antwerpen.

 

              DE CEDERHOUTROUTE

 

                              Tyrus<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<Libanongebergte

              volgens         vvvvv

              Kronieken       vvvvv

              II‑2:15         vvvvv

                              Joppe>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>Jeruzalem

 

 

 

          Zie Boek 138.DE LEVANT Geschiedenis en archeologie in het Nabije Oosten. Redactie: Olivier Binst, Könemann, Keulen, 1999. Met name van belang door het hoofdstuk De Feniciërs & de grootmachten van Eric Gubel. blz 46-79. De gouden eeuw.

 
 
              In de toelichting op de catalogus bij de "Exhibition The
              Phoenicians" in Palazzo Grassi Venetië in 1988 wordt door G Garbini
              ingegaan op het alfabet:"The question of the Alphabet"(blz 86).
              Hij komt tot de opvating, dat de Egyptenaren in feite al het alfabet
              hadden, maar het nooit echt gebruikten. Daarna heeft een of andere
              Kanaänietische geleerde het bewerkt en ontstond in Palestina het
              eerste Semietische alfabet, dat we kennen van de Proto‑Sinaïtische
              inscripties. Dit alfabet is door een Fenicische stad geadopteerd,
              waarbij de vorm van de letters aangepast werd. Al in de 14e eeuw
              breidt zich dit nu proto‑Fenicisch of nog Kanaänietische geworden
              alfabet uit naar Palestina en Oegarit.
              Zie verder bij : Deel Drie der Geschiedenis der Zeekanaänieten.
              Zie ook:"Phönizische/Punische Grammatik"‑W Röllig, J Friedrich in:
                      Analecta Orientalia 46‑1970.
                      Pontificium Institutum Biblicum Roma Piazza Pilotta 35.

     De Grieken laten voor de ontbrekende klinkers A,E,I,O in feite aan
          aantal semietische medeklinkers functioneren (alef, hé, jod en ajin).
          Tot zover heel in het kort iets over deze grote uitvinding. In deel Drie
          wordt daar veel uitgebreider op ingegaan. Wel nog de opmerking, dat het
          eigenlijk geen wonder is, dat juist de Feniciërs het alfabetisch
          schrift gebruiksklaar maakten en het verspreiden, want door dit schrift
          kon de handel stukken gemakkelijker verlopen. Overeenkomsten en
          koopcontracten konden op een eenvoudige wijze afgesloten worden.
 
          2.6.2.  Verbond tussen de Feniciërs en Israëlieten.
 
          Tussen 975 en 852 bestaat er tussen de Feniciërs en Israëlieten een
          verbond van grote betekenis. Het is in de geschiedenis van de
          Feniciërs een van de weinig verbonden, die op voet van gelijkheid
          geschied. In het westen van de Middellandse zee zal zoiets zich nog een
          keer herhalen met de Carthagers en de Etrusken.
          Omstreeks 975 zijn de Feniciërs verwikkeld in een strijd met de
          Filistijnen om de zeehegemonie. Te land vallen de Israëlieten de vijf
          voorname Filistijnse steden aan. Aan het slot van die krachtmeting is
          de Filistijnse zeemacht weggevaagd en Tyrus wordt de belangrijkste
          handelsstad van de Levant. David gaat heersen over de Filistijnse
          steden Asdod, Askelon, Ekron, Gath en Gaza. Daar blijft het niet bij.
          Ook de zoon van Saul (Esbaäl) wordt verslagen, waardoor Over‑Jordanië
          bij het rijk van David wordt betrokken. De Fenicische stadsstaten 
          hebben dan een machtige landstaat als buur gekregen en zorgt ervoor om
          op goede voet te blijven met David. Voor hem wordt een zeemacht
          opgebouwd aan de golf van Aqaba. Onder Salomo wordt de samenwerking
          voortgezet. Vooral Hiram I van Tyrus speelt daarin een belangrijke rol.
          Een aantal eeuwen zullen Israëlieten en Feniciërs gezamenlijk
          optrekken. Dan gaat het verschil in godsdienst een te grote rol spelen.
          Religieuze verschillen zullen dan een eind maken aan de politieke en
          economische verbintenis, die aan beiden zoveel voordeel bracht.
   
 XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
 
Zie ook: Deel Drie, Boek Vijftien, Hoofdstuk 12.1.Relaties met de Joden.
 
          Zie Boek 144.KöNIG SALOMO. Das bewegte Leben des Königs der Könige ‑ ein Leben voller  Gegensätze, Glanz und Tragik.  Gabriel Mandel / Petra Eisele, Droemer Knaur, München‑Zürich 1981. Eigenlijk komen veel meer Joodse koningen aan bod.  Vooral van belang in de relatie met Tyrus. Van El naar Allah - de vele vormen van Baal - chronologie - de veldtocht van Josua - David - de relatie met Tyrus - Danieten varen op fenicische schepen - Juda status aparte - Ophir connectie - Punt - Bilqis van Sheba - stam van beni-Joseph gaat langs de Nijl naar Etheopië - zuilen Jachin+Boas - inwijding tempel sept 961 v.C - sagen en legenden.
 
              SALOMO 965‑928
              Zijn rijk strekt zich uit tot Tadmor (Palmyra) in het noorden en
              tot Esjon‑Geber in het zuiden. Voor de belastingen wordt het rijk
              in 12 gebieden verdeeld. Salomo betaalt Hiram op den duur in land.
              Dit land wordt Caboel genoemd (Chabalon = "niet zo plezierig").
              Caboel ligt vermoedelijk in de buurt van Acco.
 
              Zie voor de combinatie geografie en geschiedenis:
                  -ATLAS VAN DE BIJBEL, J.ROGERSON, AMSTERDAM 1985.
                  -TUSSEN NIJL EN EUFRAAT, ARCHEOLOGIE VAN DE BIJBEL,
                   B.TADEMA-SPORRY, WEESP 1983.
                  -DE BIJBELSE WERELD IN KAART GEBRACHT, OORSPRONG EN
                   ONTWIKKELING, J.RHYMER, AMSTERDAM 1983.
                  -ATLAS VAN DE JOODSE GESCHIEDENIS, M.GILBERT, WEESP.
                  -GEOGRAFISCHE GIDS BIJ DE BIJBEL, J.NEGENMAN, BOXTEL 1981.
 
              Zie:OLA 22, LEUVEN 1987 voor een aparte invalshoek op deze periode:
                  -Hellenistic writers of the Second Century BC on the
                   Hiram-Solomon Relationship, D.Mendels.
 
 
              Zie voor een zeer kritische benadering over o.a. deze periode:
              HOE HET JOODSE VOLK ZIJN VERLEDEN KREEG, M.HULSPAS, INTERMEDIAIR 1994
 
          2.6.3.  De tempelbouw.
 
          Salomo en Hiram hebben elkaars diensten nodig. Dat blijkt wel zeer uit
          de bouw van de tempel te Jeruzalem. Het was een groot werk, want er
          waren maar liefst 30.000 houthakkers, 80.000 steenhouwers en 70.000
          sjouwers in de Libanon voor nodig. In Jeruzalem hadden Feniciërs de
          leiding bij de bouw. Via de bijbel is ons enige correspondentie
          overgeleverd:          2: 1‑18
          "Toen zond Salomo aan Hiram, de koning van Tyrus de boodschap: (Handel
          met mij) zoals gij met mijn vader David gehandeld hebt door hem ceders
          te zenden.
 
          Nu dan, zend mij een man, die bedreven is in de bewerking van goud,
          zilver, koper, rood purper, karmozijn en blauwpurper en die het verstaat
          graveerwerk te vervaardigen. Samen met de vaklieden, die met mij in Juda
          en Jeruzalem zijn en waarvoor mijn vader David gezorgd heeft. Zend mij
          ook ceder‑, cypresse‑ en algumniumhout van de Libanon, want mij is
          bekend, dat uw knechten de bomen van de Libanon weten te vellen en zie,
          mijn knechten zullen uw knechten helpen om hout in overvloed voor mij
          gereed te maken, want het huis, dat ik ga bouwen zal groot en
          wonderbaarlijk zijn. In ruil voor de houthakkers, die de bomen vellen,
          geef ik U 20.000 kor tarwe, 20.000 kor gerst, 20.000 bath wijn en 20.000
          bath olie tot voedsel voor uw knechten.
 
         Ik zend U dan een bekwaam man, begiftigd met inzicht, Hucam‑Abi, de zoon
          van een vrouw uit de dochters van Dan, wiens vader een Tyriër was: Hij
          heeft verstand van de bewerking van goud, zilver, koper, ijzer, stenen,
          hout, rood purper, blauw purper, fijn linnen en karmozijn, van het
          vervaardigen van allerlei kunstwerk, dat hem opgedragen wordt tesamen
          met uw vaklieden en die van mijn heer, uw vader David.
          Laat dan mijn heer, de tarwe en de gerst, de olie en de wijn, die hij
          mij toegezegd aan zijn knechten zenden. Dan zullen wij bomen vellen van
          de Libanon, zoveel als gij nodig heeft en ze in vlotten over zee naar
          Jafo brengen en gij kunt ze dan naar Jeruzalem brengen."
 
          Toen de tempelbouw voltooid werd, had Salomo nog een opdracht in petto
          voor de Feniciërs, n.l.de bouw van zijn paleis, dat bijna even groot
          werd als het toenmalige Jeruzalem. Deze opdracht wordt door Salomo
          betaald met land en dorpen in Galilea, omdat het in goud en tarwe niet
          meer kon, vanwege de vrijwel bankroete schatkist. De tempel en het
          paleis te Jeruzalem geven aldus een redelijke indruk van hoe de
          Fenicische bouwwerken er ongeveer hebben uitgezien.
 
          XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
 
              Om aan de wensen van Salomo te kunnen voldoen, moet Hiram steunen op
              de dienstverlening door andere Fenicische steden. Zo is bekend,
              dat de Giblieten (Byblos) voornamelijk de steenhouwerij voor hun
              rekening nemen, terwijl de transportschepen voor een belangrijk deel
              geroeid worden door de Sidoniërs.

              IJZERINDUSTRIE
              Na 1200 begint de vroege ijzertijd. Na 1000 beschikt Fenicië
              over zijn eigen ijzerindustrie. Het product is dan geen luxe artikel
              meer, maar wordt voor talloze gereedschappen gebruikt. De prijs van
              het ijzer zakt dan ook meer en meer. Eerst onder de prijs van goud
              en zilver en daarna onder de prijs van brons.
 
              Zie voor de economische relaties en drijfveren:
              -AVEC LES PHÉNICIENS à LA POURSUITE DU SOLEIL SUR LA ROUTE DE L'OR
               ET DE L'ETAIN, J.MAZEL, DEVENTER 1971.
              -COPPER AND TIN, THE DISTRIBUTION OF MINERAL RESSOURCES AND THE NATURE
               OF THE METALS TRADE IN THE BRONZE AGE, J.D.MUHLY, CONNECTICUT 1973.
              -STATE AND TEMPLE ECONOMY, E.LIPINSKI, OLA 6. LEUVEN.
              -HANDEL UND HÄNDLER, H.KLENGEL, LEIPZIG 1979.
              -ANCIENT CIVILISATION AND TRADE, J.A.SABLOFF/C.C.LAMBERG-KARLOVSKI,
               SCHOOL AMERICAN RESEARCH 1975.
 
          2.6.4.  Het Tyrus van Hiram I.
 
          Onder de regering van Hiram (zoon van Abibaäl) wordt het zwaartepunt van
          de stad definitief van Usju op de kust naar de twee of drie kleine
          eilanden voor de kust, die als grote schepen de leefwijze van de
          Feniciërs zo typeren. De vaargeul tussen de eilanden wordt volgestort 1)
          en op het ontstane grotere eiland ontstaat de stad met havens en muren.
          Tyrus wordt steeds belangrijker; niet in het minst door de winstgevende
          contacten met het rijk van David en Salomo. Het belang van Tyrus blijkt
          verder uit het feit, dat diverse andere nederzettingen een bijdrage
          moeten leveren aan Hiram. Doen ze dat niet, dan volgt een strafexpeditie. 2)
          Een niet al te duidelijke overlevering rept van een reprimande aan de mensen
          van Kition of aan die van Utica.
          Hiram I regeert waarschijnlijk van 970/969 tot 936 en begeleidde als het
          ware de groei van het rijk van Israël. De Israëlitische stammen Aser en
          Zebulon stuurden hun jonge mannen naar Tyrus, Akko of Sarepta om daar in
          de havens te gaan werken.
          Volgens het oude testament boek 2 Samuel 5:11 was er met David al veel
          economische samenwerking. Met Salomo wordt dat nog verder uitgebreid. 3)
          Hiram zorgt voor Fenicische schepen in de Rode zee. Tyrus zelf raakt
          overspoeld met mensen, goederen en schepen. De stad heeft twee havens.
          In het noorden de Sidonische en later komt in het zuiden de Egyptische.
          Boven alles uit steekt de tempel van Melqart. Aan zijn ingang staan twee
          pilaren, een van goud en een van smaragd.
          Volgens Beloch neemt Tyrus op den duur zo'n 75 ha. in beslag, terwijl
          Pietschmann het op het exacte getal van 57.6 ha.houdt. Plinius vermeldt,
          dat de omtrek 22 stadia bedraagt (ca.4 km). In oorlogstijd blijkt de
          stad in later tijden tegen de 40.000 inwoners te kunnen herbergen.
          Aangezien de huizen veelal twee tot drie verdiepingen kenden, is een
          bevolkingsdichtheid van ca.500 personen per ha. niet ondenkbeeldig. Dit
          zou de totale omvang van Tyrus in volgroeide staat op 60 ha. kunnen
          brengen. In de tijd van Hiram zal de stad nog geen 50 ha. geteld hebben.
          De oostelijke wijk komt later, alsmede de grote haven ten zuiden van de
          stad. Tellen we de havenwerken en terreinen bij de stad, dan kan de
          totale omvang de 75 ha. van Beloch dicht benaderen.
          In de tijd van Hiram zal de stad van 10.000 naar 20.000 inwoners uit‑
          gegroeid kunnen zijn.
          Op blz 52a wordt een schematische weergave van Tyrus gepresenteerd in
          volgroeide staat. De stippellijnen geven de voormalige eilandjes weer.
          Het donker gearceerde zijn rots en rifpartijen. Het lichtgearceerde
          geeft de havenwerken weer.
 
          XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
          1).Josephus, Cont.Ap.I,118.
          2).Josephus, Cont.Ap.I,119.
          3).Josephus, Cont.Ap.VIII,141.
                                                                            950
          2.6.5.  De Feniciërs in de Rode zee.
 
          Er waren twee toegangswegen tot de Rode zee. De ene verbinding liep door
          Egypte. Vanwege de vrijwel altijd nauwe culturele en commerciële
          relaties met Egypte verkregen de Feniciërs toestemming om via de Nijl
          en een zijarm daarvan een kanaal te graven naar het meer van Ismaïlia,
          dat toen nog in open verbinding stond met de Rode zee. Die laatste
          verbinding tussen het huidige Suez en Ismaïlia verzandde echter vrij
          snel. De andere verbinding liep over land door Israël en Juda naar de
          golf van Aqaba. Daar verrees de havenstad Esjron‑Geber. Deze verbinding 1)
          komt steeds meer in gebruik. Van hieruit wordt op landen als Ophir en
          Poent gevaren en worden daar o.a.wierook, myrrhe, goud em koper opgehaald.
          Deze tochten moeten zeer lucratief geweest zijn, want op een van die reizen
          werd maar liefst zo'n 420 talenten goud meegebracht. De exacte ligging
          van Ophir en Poent kon nog niet worden vastgesteld, maar aangenomen     2)
          wordt, dat er Zuid‑Arabië en de oostpunt van Afrika mee bedoeld werden.
          In ieder geval moeten Ophir en Poent zuidelijk van de noordgrens van het
          voorkomen van wierook, myrrhe en balsem gelegen hebben.
          ______________________________________________________________________
          1).I Koningen 9,10-14.
          2).I Koningen 10,11
              De maritieme coöperatie tussen vooral Zuid‑Fenicië en Israël leidt
              tot een minder intensief handelsverkeer met Egypte. Alleen de stad
              Byblos blijft zijn van oudsher intensieve contacten met Egypte
              voortzetten.
              Arvad oriënteert zich waarschijnlijk op de zuidkust van Klein‑Azië en
              Cyprus.
 
              Zie:ATLAS VAN DE FENICISCHE EN PUNISCHE STAMMEN, STEDEN EN VOLKEN:
                  Kaart 9A.Het gebied Tyrus t.t.v.Hiram I.
                  Kaart 9B.De onderwaterstructuur van het oude Tyrus bij Hiram I.
                  Kaart 9C.Plattegrond van Tyrus t.t.v.Hiram I.
                  Kaart 9D.De overdracht van het land Kaboel aan Hiram I.
 
          2.6.6.  Israëlieten en Feniciërs.
 
          Beide volken vormden lang de voornaamste bestanddelen van de bevolking
          aan dit deel van de Levantkust in de oudheid. Ondanks vele omzwervingen en
          ballingschappen kwamen en komen de Israëlieten ofwel nu Joden genoemd
          toch steeds weer terug op de smalle strook grond tussen de Jordaan en de
          Middellandse zee. Anders dan de Feniciërs zijn de Joden een landvolk
          gebleven. Hun vloot, zo ze die al hadden, werd goeddeels gebouwd en
          bemand door de Feniciërs.
          Beide volken verstrooien zich over de aardbol, maar het zijn de
          Feniciërs, die hun identiteit verliezen en opgaan in andere rijken en
          volkeren. De Joden zijn echter steeds als volk een eenheid gebleven. Dat
          heeft, mede door de verstrooiing, geleid tot vervolgingen, omdat zij zo
          herkenbaar bleven. Soms werden die vervolgingen zo sterk, dat zelfs
          uitroeiing tot de mogelijkheden ging behoren. Ook de Feniciërs hebben
          die gruwelijke ervaring moeten ondergaan bij de vernietiging van Tyrus,
          Carthago, Sidon en Motya bijvoorbeeld.
          Beide volken riepen door hun speciale bekwaamheden in vooral handel en
          ambacht de afgunst van andere machtiger en meer talrijke volkeren op.
          Aan de letterlijke egalisatie van Carthago ligt zeker een economisch
          motief ten grondslag. Op handelsgebied bleef Carthago, na politiek en
          militair uitgeschakeld te zijn, toch nog een grote concurrent voor de
          Romeinen, die daarom maar aan de haatdragende oproep van Cato gehoor
          gaven. Daarmee gingen de nazaten van de Feniciërs aan hetzelfde motief
          ten onder, wat hen honderden jaren juist zoveel welvaart had gebracht en
          wat zo centraal stond in de Fenicische samenleving.
          De meeste Feniciërs pasten zich echter vrij snel aan aan de Helleense
          heersers in het oosten en aan de Romeinse in het westen. Ze werden op
          den duur allemaal trouwe Romeinse ingezetenen, die onder nieuwe namen de
          handel en de scheepvaart weer ter hand namen. De Fenicische mens is
          fysiek althans niet uitgemoord, maar psychisch wel, want uit lijfsbehoud
          deden zij geleidelijk aan afstand van hun identiteit. Dat laatste deden
          de meeste Joden nooit en dat is mede een oorzaak geweest van hun
          gruwelijke vervolgingen. De meeste Fenicische mensen leven nog, al
          weten ze het niet meer van zichzelf, en wel onder andere namen in de
          Libanon, op Sicilië, op Sardinië, in Spanje en in Afrika.
 
          EEN MOGELIJK DEMOGRAFISCHE INVUL-OEFENING VAN HET 10E/11E EEUWSE FENICIE.
          De bevolking van Fenicië moet vrij beperkt van omvang geweest zijn. We
          lezen in o.a. de el‑Amarna brieven, dat steden veelal een garnizoen
          hadden van enige tientallen soldaten. In de "spreadsheet" PHOENICI.CAL
          hieronder wordt enig inzicht gegeven met wat voor (ingeschatte) bevol‑
          kingscijfers we uiteindelijk te doen zouden kunnen hebben in het vroege
          Fenicië. Let wel, dit is slechts een van de mogelijkheden.
          Zie ook verder op blz 55a.
 
          Uitgangspunten:
          # plaatsen genoemd in Hellenosemitica, Canaanite Toponyms, El-Amarna.
          # toepassing van hexagonaal systeem van verdeling der nederzettingen
            (W.Christaller)
          # lage aanname van de bevolking der diverse nederzettingen.
            Grotere stad=10.000,kleinere stad=5000,kleinere plaats=1000,dorp=500.
          # toepassing aangepaste lagere ratio stad-ommeland.
            Resp:80.000, 20.000, 5000, 2000 per soort nederzetting.
 
          Aantal plaatsten
                             kuststrook    Bekaa vallei   TOTAAL
          ---------------------------------------------------------
          Grotere stad           5                          5
          kleinere stad          5              5          10
          kleinere plaats       20             10          30
          dorp                  44             26          70
          ---------------------------------------------------------
          TOTAAL                74             41         115
 
 
          Aantal inwoners in nederzettingen
                             kuststrook    Bekaa vallei   TOTAAL
          ---------------------------------------------------------
          Grotere stad        50.000                       50.000
          kleinere stad       25.000        25.000         50.000
          kleinere plaats     20.000        10.000         30.000
          dorp                22.000        13.000         45.000
          ---------------------------------------------------------
          TOTAAL             117.000        48.000        165.000
 
          Aantal inwoners in nederzettingen en ommeland
                             kuststrook    Bekaa vallei   TOTAAL
          ---------------------------------------------------------
          Grotere stad       200.000                      200.000
          kleinere stad       50.000       100.000        150.000
          kleinere plaats     50.000        50.000        100.000
          dorp                44.000        52.000         96.000
          ---------------------------------------------------------
          TOTAAL             344.000       202.000        546.000
 
          2.6.7.  De "wijsheid" van Salomo.
 
          Naast al het goede wat Salomo in samenwerking met Hiram van Tyrus deed,
          zijn er wel enige vraagtekens te plaatsen bij de veelgeroemde wijsheid
          van de koning. Bij zijn verscheiden zijn de staatsfinanciën een
          puinhoop. Uit een overlevering van Josephus (Joods historicus uit de 1e
          eeuw v C), die vermeldt, dat Salomo aan Hiram enige raadsels opgaf en  1)
          hem vroeg hetzelfde te doen. Degene, die ze niet kon oplossen, zou een
          bepaalde geldsom betalen aan degene, die het wel kon.
          Hiram was zo verstandig om niet alleen op zijn eigen verstand te       2)
          vertrouwen en riep de hulp in van een zekere Abdemoen uit Tyrus, die de
          raadsels van Salomo oploste en nieuwe raadsels verzon, die Salomo juist
          niet kon oplossen. Het eind van het liedje is, dat Salomo veel meer aan
          Hiram betaalde dan andersom.
 
          2.6.8.  De Fenicische religieuse invloed op Israël.
 
          Die was onder David al aanwezig, maar dat werd al snel intensiever onder
          Salomo. Langzamerhand kreeg de Baälverering ook onder de Israëlieten
          meer aanhangers, zeker in de nog lang Kanaänietisch gebleven streek rond
          o.a. Joppe en Dôr. Salomo aanbidt op latere leeftijd Astarte van Sidon. Er
          worden ook tempels opgericht voor Kamos (van de Moabieten) en voor
          Milkan (van de Ammonieten. Steeds feller zullen de profeten van Israël
          zich hiertegen afzetten. Zie hiervoor ook hoofdstuk Religie in Deel Drie.
 
          2.6.9.  Bezoek van een koningin.
 
          Hier moet even kort het bezoek aangestipt worden, dat de koningin van
          Saba zou hebben gebracht aan Jeruzalem. Volgens II Kronieken 9 zou zij uit het verre
          zuiden met vele geschenken Salomo hebben opgezocht. Saba moet in Zuid‑
          Arabië of in Eritrea gelegen hebben. Volgens een Abbessijnse
          overlevering zou Salomo haar minnaar geworden zijn, waaruit een zoon
          Menelik geboren werd en die zou weer de stamvader van de keizerlijke
          familie in Etheopië geworden zijn. Een prachtig verhaal, wat wel de
          verre (zee)verbinding naar het zuiden toe illustreert; welhaast even ver
          als naar het westen toe! Beide lange afstandszeeverbindingen bevaren de
          actieve Feniciërs en aan de totstandkoming van die belangrijke
          verbindingen hebben de Feniciërs een doorslaggevende bijdrage
          geleverd.
 
          XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
 
          1).Josephus, Ant.Iud.VIII,143.
          2).Josephus, Cont.Ap.I,114-115.
          2.6.10. De contacten met Egypte.
 
          Ondanks de nauwe samenwerking tussen Fenicië en het rijk van David en
          Salomo, blijven de contacten met Egypte op cultureel en handelsgebied
          aanwezig. Zo is een beeld bekend van de farao Orsokon I (929‑893),
          waarop een Fenicische inscriptie voorkomt met de naam van Abibaäl van
          Byblos. Tyrus had vooral zijn contacten met het rijk van David en
          Salomo, maar van oudsher was te Byblos de binding met Egypte blijven
          bestaan.
          XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
 
         Zie:Rélations entre l'Egypte et la Phénicie du voyage d'Ounamon à
              l'expédition d'Alexandre" van Jean Leclant.
          EERSTE DYNASTIE TE TYRUS:
          Abibaäl             ? - 970
          Hiram I           970 - 936
          Baäl - M'zer I    936 - 929
          Abdastarte        929 - 920
 
          Over de regeerperiodes van de Tyrische koningen is veel discussie
          ontstaan. Hier worden de jaartallen gehanteerd, zoals weergegeven
          in: "De Regeerders van Tyrus", H.R.van Diessen, Apeldoorn 1999.
          2.7.    Na de periode van Hiram en Salomo.
 
          De samenwerking tussen Israël en Tyrus wordt eerst nog uitbundig voort‑
          gezet, maar beide staten en volken worden belaagd door eerst de Arameeën
          en later de Assyriërs. Als dan ook nog religieuse verschillen en geschillen
          de boventoon gaan voeren in de onderlinge relaties, dan luidt dat het
          aankomende verval van beide staten in.
 
          2.7.1.  Invallen van de Arameeën.
 
          Circa 900 pakken zich donkere wolken samen. De Arameeën dringen via de
          Syrische woestijn naar het zuiden en het westen door. Ze reiken tot de
          Bekaa vallei en tot Ammon. Na de dood van Salomo is zijn rijk uiteenge‑
          vallen. De staat Israël komt onder het huis Omri, dat het bondgenootschap
          met Tyrus nog voortzet. De zoon van Omri (Achab) huwt de dochter van Ithobaäl
          of Elibaäl (Izebel). Deze laatste beschermt de Kanaänietische godsdienst nog 1)
          meer en dat zal ze met de dood gaan bekopen. Het is een tijd van vele usurpators
          binnen de Fenicische steden. Zo wordt bijvoorbeeld een (onbekende?) neef (?)
          van Abdas(h)tart vermoord door vier zonen van zijn baker te Tyrus. Vervolgens
          regeren Astarte, Astar'm en Phellès, welke laatste door Ithobaäl wordt vermoord. 2)
          Ithobaäl zal van 886 tot 854 regeren. Ondanks deze perikelen weten de Fenicische
          steden én Israël de Arameese aanvallen voorlopig in te dammen.
          ......................................................................
          Kaart 15.
          Inval van de Arameeën                          Syrische woestijn
                                          Arvad
 

                                                         ARAMEEëN
                                          Byblos
 
                                          Beryt
                                                          Damascus
                                          Sidon
 
                                         Tyrus       Dan
                                                          AMON
              Middellandse zee              ISRAëL
 
 
                                           JUDA
         
             schema
 
          XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
 
          1).I Koningen 16,30-32.
          2).I Koningen 16,1 + Josephus Ant.Iud.VIII,317,IX,138.