zondag 27 juli 2014

27.leefwijze


          2.9.    De leefwijze van de Feniciërs.

 

          In deel Drie zal hier uitvoeriger op worden teruggekomen, maar in zijn

          algemeenheid is op het einde van het eerste boek een beknopt woord op

          zijn plaats.

          Tijdens de periode van het onafhankelijke Fenicië bekleedde de handel

          en de daarmee verbonden scheepvaart de belangrijkste rol in het

          leefpatroon van veel Feniciërs. Toch is het beeld te eenzijdig van

          alleen Feniciërs op hun schepen alle toen bekende zeëen doorkruisend,

          terwijl hun gewiekste kooplieden, reders en magistraten in hun hoge

          huizen rijkdommen opstapelden in de door muren en wateren omgeven

          zeevestingen.

          De Feniciërs waren ook uitstekende landbouwers op de smalle, maar

          vruchtbare, kuststrook, die hen voor dat doel ter beschikking stond.

          Daarnaast was er het achterland met de bergen en cederwouden, die door

          hen bewoond werden. Hout werd gekapt en omgevormd tot bruikbare

          producten voor de scheepsbouw e.d. Stenen werden gehouwen tot beelden,

          sarcofagen of gebruikt voor de aanleg van havens, muren en huizen. Het

          ambacht en de nijverheid stond op eveneens een hoog peil. Genoemd kunnen

          worden de ververijen, de pottebakkers, touwslagers en metaalbewerkers.

          De Feniciërs hielden zich ook bezig met de vervaardiging van sieraden,

          kleding en ivoorbewerking.

          Bovenal werd het Fenicische volk in zijn doen en laten beheerst door

          een diep religieus leven. De Baälpriesters nemen een voorname positie

          in. Van alle winsten gaat een deel naar de tempels en de goden. Veelal

          gebeurt dat indirect via offergaven. De Feniciërs kennen veel goden,

          waarvan velen een benauwende plicht aan de mens opleggen via

          boetedoening, hysterische rituelen en zelfs via het offeren van de

          eerstgeborenen, of het nu planten, dieren of mensen zijn. Vooral dat

          laatste klinkt ons absurd in de oren.

          Nochtans was dit gebruik bij veel andere volken in de oudheid aanwezig,

          maar werd het meestal toegepast in tijden van groot gevaar en gold als

          het uiterste wat men kon doen om de goden tevreden te stellen.

          Bij de Feniciërs zien we een samengaan van ogenschijnlijk twee

          contrasterende levenshoudingen. Enerzijds is er het gewiekst zakendoen,

          staande midden in een werelds leven en anderszijds zien we een streng

          religieus leven. In het begin van dit boek heb ik gewezen op de

          overeenkomst in een ander vlak met de Republiek der Verenigde

          Nederlanden. Ligt hier niet opnieuw een bijzondere paralel met de

          Hollandse kooplieden, die slaven en allerhande over de wereldzeëen

          verhandelden en toch streng calvinistisch waren?

          ......................................................................

          EINDE   BOEK EEN DEEL EEN GESCHIEDENIS DER ZEEKANAÄNIETEN

                  @ H van Diessen, Apeldoorn 2009. 3e versie.

 

          XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

 

          80

          in WORD op 8 april 2001