maandag 21 juli 2014

14.Invallen der Amorieten.

 
 
 
          1.5.3.  Invallen der Amorieten.
 
          Omstreeks 2100 dringen de Amorieten steeds meer op naar het westen. Zij
          bewoonden de landstreek Amurru, gelegen tussen de Libanon en
          Mesopotamië. Voor een goed deel viel dat samen met de Syrische steppe‑
          en woestijnzone. Waarschijnlijk door overbevolking en een slechter
          wordend klimaat verlieten zij massaal hun woonplaatsen en vestigden
          zich onder meer in de dalen tussen de gebergten Libanon en Antilibanon.
          De vestiging in en aan de rand van wat later Fenicië zou worden
          genoemd, gebeurde tamelijk vreedzaam, maar in zuidelijker streken kwam
          het tot schermutselingen. Daarop grepen de Egyptenaren in en verdreven
          de Amorieten weer voor een deel. Na verloop van tijd komen de Amorieten
          versterkt terug. Nu bleven zij definitief. Zij richten versterkingen op,
          waaruit zij niet meer gemakkelijk te verdrijven waren.
          Ook in Byblos en Oegarit gingen de Amorieten een belangrijke positie
          bekleden. Mogelijk is Abraham zo'n Amorietische vorst geweest, die
          waarschijnlijk uit Haran naar Kanaän vertrokken is. Abraham leefde
          waarschijnijk van 1930 tot 1860 en moet dus tot de staart van de tweede
          golf van Amorieten behoord hebben.
ncfps