zaterdag 2 augustus 2014

34.Kortstondig herwonnen autonomie.

 
          3.2.    Kortstondig herwonnen autonomie.
          Met de dood van Assoerbanipal komt de weg  langzamerhand  vrij  voor  de
          Egyptische legers om in Palestina verder door te dringen. Een  voor  een
          maken de Fenicische steden zich nu ook weer wat vrijer. In 616 komt de
          Babylonische onderkoning Nabopolassar tegen Ninivé in opstand  en  maakt
          zijn land weer onafhankelijk. Hij gaat ook een verbond aan met de  Meden
          en gezamenlijk maken ze practisch al in 614 een eind aan het  Assyrische
          rijk door Assoer te verwoesten. Twee jaar later is Ninivé  zelf  aan  de
          beurt. Bijna het gehele Assyrische volk gaat ten gronde. De wraak van de
          zo lang onderdrukte volkeren is meer dan verschrikkelijk. Dûr‑Sargon  en
          Kalach  worden  geëgaliseerd.  Toch  is  de  strijd  nog  niet  helemaal
          gestreden, want uit onverwachte  hoek  komt  er  voor  het  gedecimeerde
          Assyrië toch een sprankje  hoop  opdagen.  Egypte  ziet  in  Mesopotamië
          namelijk een gevaarlijke nieuwe macht ontstaan, die ook  wel  eens  haar
          tentakels naar Syrië en Palestina zou kunnen uitstrekken. Daarom  stuurt
          farao Necho troepen naar Noord‑Mesopotamië in 609. In  het  begin  heeft
          dat nog enig  succes,  want  dank  zij  de  Egyptische  interventie  kan
          Assuruballit van het resterende Assyrië zich in Charrân handhaven.
 
          3.2.1.  Necho II.
          Egypte  had  velerlei  Griekse  en  Lydische  invloeden  van   betekenis
          opgedaan, maar ook de Feniciërs laten zich  in  het  opnieuw  verrezen
          Egypte niet onbetuigd. In deze korte tijd van autonomie  wordt  de  naam
          van Fenicië onverbrekelijk met die  van  Egypte  verbonden  door  twee
          gigantische ondernemingen.
 
          A.Een oud Suezkanaal.
          Vanaf het jaar 609 gaat farao Necho, althans zijn onderdanen, graven aan
          een verbinding tussen de Nijl en de Rode zee. Hij doet dat op instigatie
          van de Feniciërs en met behulp van hun  technische  kennis.  Het  werk
          vordert snel tot een orakel hem onthult, dat  hij  slechts  arbeid  laat
          verrichten voor een vreemde heerser. Daarop laat hij  het  werk  staken,
          maar een groot deel was al  gereed,  want  later  zal  het  een  vreemde
          heerser niet veel moeite kosten om het werk daadwerkelijk te voltooien.
 
          B.Omzeiling Afrika.
          Het is zo ongelooflijk, maar schijnt toch waar gebeurd te zijn. In  zo'n
          ver verleden met zulke in verhouding tot later, nietige schepen  als  de
          Feniciërs hadden, schijnen zij het toch klaar gespeeld  te  hebben  om
          het  enorme  continent  te  omzeilen   in   opdracht   van   Necho   II.
          Waarschijnlijk is dit rond het jaar 605 gebeurd.
 
 XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
 
              In deze tijd ontplooit Carthago zich in het westen voluit. Rond
              650 worden door Carthago nieuwe kolonies gesticht, zoals Ibiza
              op de Balearen. Daarnaast stellen steeds meer Fenicische plaatsen
              zich onder de bescherming van Carthago.
          Volgens de overlevering door Herodotus vertrekt men vanuit een haven aan
          de Rode zee. De "Fenicische mannen" doen er wel een  paar  jaar  over,
          want om genoeg voedsel te hebben, zaait men  gewassen  in,  die  geoogst
          moeten worden. De pauzes tussen het varen door zijn dan  ook  lang.  Men
          ziet de zon na verloop van tijd aan de andere kant verschijnen en dat is
          de doorslaggevende overlevering, waarom algemeen wordt  aangenomen,  dat
          de reis inderdaad  heeft  plaats  gevonden.  Via  Lixus,  Tingis  en  de
          Middellandse zee keren de voor die  tijd  grootste  ontdekkingsreizigers
          terug naar de Nijlmonding. Deze grote reis heeft voor vele  eeuwen  geen
          blijvend gevolg gehad. Het is voor zover bekend de enige  reis,  die  de
          Feniciërs en dan nog in opdracht van een vreemde heerser gedaan hebben
          uit  ontdekkingslust.  Alle  andere  bekende  reizen  werden   door   de
          Feniciërs en Puniërs gemaakt allereerst uit winstbejag.
 
          3.2.2.  Egypte's opmars.
 
          Nog onder het Assyrische bewind kon Juda zich verheugen in een  tamelijk
          zelfstandige,  weliswaar  schatplichtige  positie.  Na   de   Assyrische
          overheersing waant men zich te groot. Na eerst het land  noordelijk  van
          Jeruzalem veroverd te hebben, denkt men er ook nog aan om het Egyptische
          leger de doortocht bij Meggido te beletten. Daar  wordt  het  leger  van
          Juda door dat van Necho II verslagen,  die  verder  oprukt  tot  aan  de
          Eufraat. De Fenicische steden zijn weer terug bij de  oude  vertrouwde
          "beschermeling".  De  handel  en  scheepvaart  kunnen  zich  weer   vrij
          ontplooien. Toch komt er een kink in de kabel, want de  vooruitgeschoven
          Egyptische troepen lijden een grote nederlaag tegen Nabuchodonosor
          zoon van Nabopolassar van Babylonië. Weliswaar legt zelf Nabopolassar
          het loodje in de slag bij Karkemisj (605), maar de overwinning  is  voor
          het Nieuw‑Babylonische rijk en daarmee zal nieuwe ellende aanbreken voor
          de Fenicische steden, die nog maar net even gewend waren  aan  de  een
          stuk vrijheid en zelfstandigheid.
 
              Herodotus vertelt:
              "Libya is toch duidelijk door zee omgeven, behalve waar het aan Azië
              grenst en dat is door de Egyptische koning Nekoos, voorzover wij
              weten voor het eerst bewezen. Nadat hij het graven van het kanaal
              van de Nijl naar de Arabische golf had gestaakt, zond hij
              Phoinikiërs met schepen uit met de opdracht op de terugweg door de
              Zuilen van Hèraclès te varen, totdat zij in noordelijke zee en zo
              weer in Egypte kwamen. De Phoinikiërs nu vertrokken vanuit de Rode
              Zee en voeren over de zuidelijke zee; telkens als het herfst werd,
              gingen zij aan land, bezaaiden de grond, waar zij telkens in Libya
              waren op hun tocht en wachten de oogst af; als ze dan de oogst had‑
              den binnengehaald, voeren ze verder, zodat ze na verloop van twee
              jaren in het derde jaar de Zuilen van Hèraklès omvoeren en weer in
              Egypte aankwamen. En zij vertelden iets, dat ik niet kan geloven,
              maar een ander misschien wel, namelijk, dat zij bij het omvaren van
              Libya de zon aan de rechterkant hebben gehad."
              In Boek IV,42 i.e.v.v.O Damsté.
          3.2.3.  Zeven vette jaren na Karkemisj.
 
          Het zou nog tot 598 duren, voordat Nebukadnezar ofwel Nabuchodonosor zich
          definitief zou  melden  aan  de  oevers  van  de  Middellandse  zee.  De
          Fenicische steden hadden nog zeven jaren respijt en die tijd hebben ze
          effectief gebruikt. Naar alle zijden ontwikkelde zich de handel.  Vooral
          in Egypte kregen zij nog meer vaste voet.  Daarnaast  werd  getracht  de
          Levantstaten te bundelen in een bondgenootschap tegen het nieuwe  gevaar
          uit Mesopotamië. Door Egypte wist men  zich  in  ieder  geval  gesteund.
          Itho‑Baäl voert het bondgenootschap aan in Tyrus. Edom, Moab  en  koning
          Zedekia van Juda treden evenals de overige Fenicische  stadstaten  ook
          toe.
Zie:Boek 126.PHOENIX 41,3 Ex Oriente Lux, Leiden, 1995.
met o.a.: ‑ Oude scheepvaartkanalen in Egypte, A.Wegener Sleeswijk

33.Ondanks alles.... 2


              SAHARA

              Niet exclusief overzee loopt de verbinding met de verre westelijk

              gelegen kolonies. Ook via de Sahara wordt een landroute vanuit

              Egypte in stand gehouden. Via o.a.Siwah kan toch het Punische gebied

              in Noord‑Afrika bereikt worden. Deze landroute was goed mogelijk,

              omdat de Sahara toendertijd ook nog niet zo droog en heet was.

              Zie voorts Deel Drie, 9.3.

 

 

              THERA

              Volgens Herodotus, boek IV:

              "Op het eiland, dat nu Thèra heet, maar vroeger Kallistè genoemd

              werd, leefden afstammelingen van Membliaros. de zoon van de

              Phoinikiër Poikilès. Kadmos, de zoon van Agenoor, was namelijk bij

              het zoeken naar Euroopa op het nu Thèra genoemde eiland geland en

              of dat land hem nu bijzonder goed beviel na zijn landing of dat

              hij om een andere reden dit wilde doen, hij liet in elk geval

              enige Phoinikiërs achter, waaronder ook zijn eigen bloedverwant

              Membliaros."

 

              en verder:

 

              "In de loop van de volgende zeven jaren viel er op Thèra geen regen

              en in die tijd verdorden alle bomen op het eiland op één na. Toen de

              Thèraiers hierover het orakel raadpleegden, herinnerde Pythia hen

              aan de volksplanting naar Libya. Omdat er geen enkel ander middel 

              tegen de ramp bestond, stuurden ze gezanten naar Kreta om na te gaan

              of er wel eens een Kretenzer of iemand uit die buurt in Libya was

              geweest. Bij hun zwerftocht rondom Kreta kwamen zij ook in een stad

              Itanos en maakten daar kennis met een purpervisser, genaamd

              Koroobios, die zei, dat hij eens door winden uit de koers geslagen

              in Libya was gekomen en wel op een eiland Platea. Zij wisten hem

              tegen betaling mee te krijgen naar Thèra en toen voeren van Thèra

              mannen uit om de kust te verkennen, aanvankelijk een klein aantal.

              Koroobios wees hun de weg naar dat eiland Platea, waar zij hem

              achterlieten met voedsel voor een aantal maanden; zelf voeren zij

              ijlings terug om de Thèraiers verslag uit te brengen omtrent het

              eiland."

 

              en verder:

 

              "Toen de Thèraiers na Koroobios op het eiland te hebben

              achtergelaten weer op Thèra waren aangekomen, rapporteerden zij, dat

              zij op een eiland bij de kust van Libya een nederzetting hadden

              gevestigd. Toen besloten de Thèraiers van elke twee broers er een

              uit te zenden, die bij loting zou worden aangewezen, en bovendien

              mannen uit alle zeven plaatsen: hun leider en koning zou Battos

              zijn. Zo zonden zij twee vijftigriemers naar Platea."

 
          3.1.11. Het einde van het Assyrische rijk.
 
          Wanneer het Assyrische rijk zijn grootste  omvang  heeft  bereikt,  doen
          zich al de eerste voortekenen van de complete catastrofe voor. Het is de
          farao Psammetichos I, die Egypte weer weet te verenigen in een  periode,
          dat Assoerbanipal een deel van zijn bezettingstroepen moet  weghalen  om
          opstanden elders te bestrijden. Vanuit Saïs  in  de  Nijldelta  weet  de
          farao met deze Griekse  naam  en  met  behulp  van  Griekse  troepen  de
          Assyriërs te verdrijven. Hij gaat ook fors in het diplomatieke offensief
          en verbindt zich met koning Gygès van Lydië  in  Klein‑Azië.  Dan  voelt
          Egypte zich weer sterk genoeg om ook Palestina binnen te vallen. Volgens
          Herodotus zouden ze maar liefst  29  jaren  lang  geprobeerd  hebben  om
          As(h)dod te veroveren. In deze tijd valt ook de inval  van  de  Skythen,
          een ruitervolk uit het  gebied  ten  noorden  van  de  Zwarte  zee,  dat
          helemaal tot aan de grenzen van Egypte dwars door Assyrisch gebied  weet
          door te dringen. De farao heeft ze waarschijnlijk afgekocht. Ondertussen
          zijn ook de Meden in het oosten hun aanvallen  op  Assyrië  begonnen  en
          maakt Babylonië zich vrij. De Fenicische steden wachten rustig tot  de
          kolos op lemen voeten vanzelf in elkaar stort. Alleen te  Acco  en  Usju
          kwam het in 640 nog tot een opstand, die bloedig werd neer geslagen. 
       XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
              A POIDEBARD
              Onderzoeker van o.a. de havenresten van Tyrus en Sidon.
              "Un grand port disparu:Tyr, recherches aériennes et sousmarines,
               1934‑36",Paris 1936.
              "Sidon, améneagements antiques du port de Saïde. Etudes aériennes,
               au sol et sous‑marines,1946‑1950", Beyrouth 1951.
                  Uiteindelijk hebben slechts Arvad en Tyrus een semi‑autonome
                  positie weten te behouden dank zij hun eilandpositie. Simyra.
                  Usju, Acco, Ka'ashpuna en Sidon waren grondig verwoest. Sidon
                  wordt evenals Simyra weer opgebouwd. Het gehele Fenicische
                  gebied is opgegaan in Assyrische provincies.

32.Ondanks alles.....

          3.1.10. Ondanks alles....
 
          Ondanks alle beproevingen in het thuisland, gingen de  Feniciërs  door
          met hun reusachtige onderneming: de ontdekking  en  kolonisatie  van  de
          kusten van de Middellandse zee. Op hun schepen waren ze weer vrij man en
          ook hun kolonies en factorijen waren voor  het  grootste  deel  vrij  en onafhankelijk.
          In het begin domineerde vooral het economische gewin als drijfveer  voor
          de welhaast onbezonnen  moeilijke  tochten  overzee,  waarbij  men  zich
          vooral op de kleine beer als sterrenbeeld oriënteerde. Men zocht  vooral
          naar de noodzakelijke delfstoffen als tin, koper, goud  en  zilver.  Dat
          bleef men doen, maar er kwam een belangrijke drijfveer bij, n.l. die van
          vrij en onafhankelijk zijn.
          De zee werd steeds meer hun toevluchtsoord. Als het even kon bouwden  ze
          hun factorijen nog in zee ook. Het land was er slechts om de  handel  met
          de inheemse bevolking te  bedrijven.  Verder  leverde  het  alleen  maar
          gevaar op. Carthago  ging  daar  op  den  duur  anders  over  denken  en
          ontwikkelde tenslotte in het achterland belangrijke landbouwgebieden.
          In de 7e  eeuw  zaten  de  Feniciërs  werkelijk  zowat  overal  in  de
          Middellandse zee, maar ook daarbuiten op kusten van en  eilanden  in  de
          Atlantische oceaan. In de Middellandse zee waren ze nu in Italië (bij de
          Etrusken) te vinden, verder op Sicilië, Sardinië, Iberië, de hele Noord‑
          Afrikaanse kust, Cyprus, Cilicië én in Egypte. In de stad Memphis was er
          zelfs een aparte Tyrische wijk. Alleen  in  de  Egeïsche  zee  waren  ze
          nauwelijks meer te vinden. Daar zijn de Grieken tot een grote zeevaarts‑
          en handelsontplooiing gekomen. Ook in  Cyprus,  Sicilië  en  Zuid‑Italië
          melden de Grieken zich steeds meer. Ondanks  de  Griekse  concurrentie  blijft  de  Fenicische  handel en scheepvaart zich verder ontwikkelen.  Het  zwaartepunt  verplaatst  zich langzaam van de oosten naar het westen. De rijkdommen,  de  metalen,  de goederen en de schepen worden niet meer primair aan de Levant verzameld, maar steeds meer te Utica, Motya,  Tharros,  Gadir  en  Lixus.  Het  zal uiteindelijk Carthago zijn, die de leiding van de Fenicische wereld op zich neemt.
 
          Vanuit het Egeïsche Thera vestigen de Grieken zich in 632 in  Cyrene  op
          de Noord‑Afrikaanse kust (zie blz 76a). Toch blijven de  Feniciërs  hun
          lange moeizame verbinding tussen voornamelijk Tyrus en Carthago overeind
          houden. De stichting van Cyrene betekent niettemin een zware aanslag  op
          de continuïteit van de verbinding.
         XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
 
Zie map 13.17.Archaic Greece. The City States c.700-500 B.C. L.H.Jeffrey, 1976, Cambridge.