zondag 5 juli 2015

138. Algemene situatie rond 300 v.C

          3.15.   Algemene situatie rond 300.

          De langdurige oorlog van Carthago met de Grieken op Sicilië hield de
          Carthagers zo erg bezig, dat zij de situatie op het Italisch
          schiereiland wel moesten veronachtzamen. Etrurië, de eerste grote
          bondgenoot van Carthago, kwam steeds meer onder de invloed van Rome. Op
          grond van het oude of‑ en defensieve verbond, hadden de Carthagers toch
          hulp moeten verlenen aan de Etrusken. De Carthagers waren echter niet
          bij machte om én de Grieken én de Romeinen te bevechten, zo zij dat al
          gewild hadden.
          Bovendien vochten er Etruskische oorlogsschepen met Agathocles in 307
          bij Syracuse, terwijl er ook huurlingen uit Etrurië kennelijk
          participeerden in het leger van die Griek in Afrika. Het militaire
          verbond was dus al lang ter ziele. Voor meer dan een eeuw waren Etrusken
          en Carthagers al steeds meer hun eigen weg gegaan.

          Niettemin lijdt het geen twijfel, dat Carthago de opkomst en macht van
          Rome heeft onderschat. Het idee, dat Rome een landmacht zou blijven werd
          later wreed gelogenstraft.
          Ondertussen haalt Carthago de oude banden aan met het nu Hellenistisch
          geworden Azië. Ook met de Grieken zelf, werd, ondanks de escapades van
          Agathocles, in steeds grotere mate handel gedreven. Zo kon Carthago in
          deze decennia tenslotte uitgroeien tot de machtigste stadstaat van de
          Westelijke Middellandse zee met bezittingen op Sicilië natuurlijk, maar
          ook op de gehele Noordafrikaanse kust vanaf Cyrene tot in Mauretanië
          toe. Ook op Sardinië, Corsica, de Balearen en in Iberië had de stad zijn
          steunpunten. De zelfstandigheid in het moederland Fenicië was verloren
          geraakt, maar de Puniërs in het westen komen nu pas tot hun grootste
          ontplooiing.
          Namen de Puniërs vroeger genoegen met het vestigen van eenvoudige
          steunpunten op de voor hen attractieve en dus te controleren kusten, nu
          veroveren ze in het zicht van de mogelijke uitroeiing door de Grieken,
          opeens gehele achterlanden om zich o.a. daardoor enige rugdekking te
          verschaffen. Zo veroveren zij in Afrika een gebied, dat ongeveer
          overeenkomt met het noorden en midden van het huidige Tunesië. Numidië
          en Libyë vormen in feite min of meer bevriende inheemse gebieden,
          uiteenvallend in vele kleine stamgebieden, waaruit Carthago een groot
          deel van de manschappen betrekt voor haar legers.

Zie boek 246.AFRICA AND AFRICANS IN ANTIQUITY

Edwin M.Yamauchi. Michigan State University Press, East Lansing. 2001 Michigan. Speciaal het hoofdstuk over Carthago en de Berbers.

          Carthago gaat in deze tijd ook steeds minder rekening houden met de
          belangen van andere Punische steden. Eenzelfde euvel, waaraan de
          Atheense thallassocratie ten gronde was gegaan. Op basis van
          vrijwilligheid hadden de meeste Punische steden en plaatsen zich
          geschaard onder de beschermende paraplu van Carthago. Nu wordt meer en
          meer de heersende hand van de grote stad merkbaar. Revoltes komen dan
          ook, zeker ten tijde van de Griekse invasie, steeds meer voor, zij het,
          dat vooralsnog voornamelijk de inheemse steden, plaatsen en/of stammen
          afhaken. Ook in Iberië rommelt het. De bittere strijd op en om Sicilië
          maakt, dat Carthago zo gefixeerd is op de beheersing van dat eiland, dat
          de belangen tijdelijk in het gedrang komen. Zo verliezen de Carthagers
          tijdelijk de controle over de mijnen in de Sierra Morena.
          Rond 300 lijkt Carthago echter nog op rozen te zitten. Van Gadir tot Leptis
          Magna beheersen de Punische schepen de zee. Op Sicilië wordt de positie
          nog versterkt door Henna tegen Phintas van Akragas in bescherming te
          nemen. Te Syracuse wordt tijdens een burgertwist geïntervenieerd, waarop
          400 gegijzelde Syracusers naar Carthago worden gezonden. De Aeolische
          eilanden worden een vlootstation van Carthago.

          Vanaf omstreeks 300 is op het Italisch schiereiland een grote Samnieten‑
          oorlog bezig, die pas in 290 ten voordele van Rome beslist gaat worden.
          Geheel Midden‑Italië gaat tot Romeins gebied behoren. Het Griekse
          Campanië behoort al geruime tijd tot Rome. De andere Griekse steden en
          gebieden gaan zich in Zuid‑Italië bedreigd voelen. Tarentum en anderen
          zullen het volgende slachtoffer van de Romeinse expansie worden.

          Nog voor 300 krijgen de Massiliërs Pytheas en Euthymenus kennelijk de
          permissie van de Carthagers om de reis van Himilco anderhalve eeuw
          eerder over te doen. Tot dan toe hadden de Carthagers elk schip bewesten
          Sardinië consequent de grond in geboord. Mogelijk waren de Carthagers na
          de expedities van Agathocles tijdelijk zo verzwakt, dat zij bij uitzondering
          de Grieken tegemoet kwamen in een poging tot een betere verstandhouding
          en met wie kon dat beter dan met gelijk geaarde handelslieden als die van
          Masalia. Het is een kortstondige verbetering in de verhouding tot
          elkaar geweest.*
          Mogelijk heeft ook meegespeeld, dat het grootste deel van Zuid‑Spanje
          zich in deze tijd aan de controle van de Carthagers onttrok en gemene
          zaak met de Grieken op de oostkust maakte.

          * Zie:Le tarif dit de Marseille (CIS I, 165), M Delcors in: SEMITICA XXXVIII, 1990

            AFRIKAANS GEBIED VAN CARTHAGO
                  Naast Carthago zelf en de Libyfenicische steden, is er
                  allereerst het directe achterland (CHORA), alwaar vooral
                  de agrarische bestaansbron van de Puniërs op terug te
                  voeren is. Hier vinden we grote landgoederen, die zich
                  gespecialiseerd hebben in massa‑landbouw. Er wordt niet
                  alleen voor de aanwezige bevolking geproduceerd, maar
                  vooral voor de voorziening van Carthago en de export
                  overzee. Dat systeem kan in die tijd alleen maar func‑
                  tioneren bij een voldoend groot aantal slaven en die
                  hebben de Carthagers tijdens hun oorlogen op Sicilië wel
                  genoeg kunnen verzamelen.
                  Buiten de CHORA ligt het gewone Libysche land, waarvan
                  Carthago ook nog een gedeelte van de oogst opeist. Nog
                  verder weg ligt het Numidische bergland, waarop meer de
                  veeteelt bedreven wordt dan de landbouw.

          Volgens Gilbert en Colette Charles‑Picard vindt er omstreeks 300 ook in
          economisch opzicht een bijzondere gebeurtenis voor Carthago plaats.*
          De stad verzet haar bakens en oriënteert zich in niet‑geringe mate op
          het oosten. In Egypte zijn de Ptolemeëen aan de macht en die maken dat
          land tot een aanzienlijke maritieme macht. Een goed deel van Fenicië,
          Palestina, Cyprus, de Cycladen en Cyrenaca gaan tot dit rijk behoren.
          Ptolemeus I doet meer; hij schaft het Attische muntstelsel af en voert
          voor zijn munten de Fenicische standaard in. Ook Carthago gaat nu pas
          eigen geld in omloop brengen. Het waren geldstukken, die eerst nog maar
          in brons werden geslagen. Men was immers de controle over de zilver‑
          mijnen in de Sierra Morena kwijt!
          Hoe dan ook, de handel met de Hellenistische staten in het oosten bloeit
          geweldig op. Carthago voert veel keramiek in en betaalt die met de
          opbrengst van de vele landbouwprodukten uit het rijke land van wat later
          Byzacenium zal gaan heten. De Grieken waren verzot op fijne stoffen,
          zoals het purper. Andere produkten, waarop de Punische economie bleef
          draaien waren tropische produkten uit de Soedan, het goud uit Senegal
          e.d., terwijl de onderontwikkelde volken uit Iberië, Numidië en Libyë
          hun snuisterijen bleven afnemen.
          Ondanks alle voorbije Griekse oorlogen, is de kurk, waarop de Punische
          economie drijft, onaangetast gebleven. ook het tijdelijk verlies van
          verschillende gebieden in het uiterste westen, is voor Carthago niet
          rampzalig gebleken. Integendeel, de stad gaat nu haar grootste
          welvaartsperiode tegemoet.
          Een schier ongestoorde periode van vrede en welvaart breekt aan, die
          alleen door een laatste en waarschijnlijk één der grootste Griekse
          veldheren wordt vertroebeld: Pyrrhus van Epirus.

                                                                   
POLITIEKE SITUATIE op Sicilië omstreeks 290‑280.
                  Epicratie=Carthaags
                  Akragas=Phintias
                  Tauramenion=Tydarion
                  Leontinoi=Heraclides
                  Messana=Mamertijnen
                      ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑











                  In de jaren 286 en 285 onderneemt Hicetas een poging
                  tot onderwerping van geheel Sicilië. De Carthagers
                  overwinnen hem echter aan de Terias bij Leontinoi.
                  Bovendien wordt er een Carthaags garnizoen gelegd in
                  de stad Henna.


Zie:ATLAS VAN DE FENICISCHE EN PUNISCHE STAMMEN, STEDEN EN VOLKEN.
           72A.Sicilië in de periode 289-279 v.C.

          72B.De periode Pyrrhos

          72C.Het Carthaagse rijk in zijn grootste ontplooiing ca.270 v.C.