dinsdag 17 maart 2015

111.de lenteoffensieven van 396 v.C

                  De nachtelijke aanval op Motya staat onder de leiding
                  van Archylus. Na de inname van Motya blijft Leptinus
                  achter met 120 oorlogsschepen. Halicyai geeft zich nu
                  ook over, maar Segesta houdt stand en doet zelfs een

                  geslaagde uitval.

          3.6.2.  De lenteoffensieven van 396.

          De Carthagers hebben een jaar de tijd nodig om hun strijdkrachten weer
          op te bouwen. Waarschijnlijk zijn zij volledig verrast door de snelle
          heropening van de vijandelijkheden, terwijl zij eigenlijk dachten een
          bondgenoot in Syracuse te hebben gekregen door Dionysius als rechtmatige
          heerser van deze stad te erkennen. Zoals gebruikelijk na veel gewonnen
          oorlogen is de , in dit geval Carthaagse vloot, in de mottenballen
          gelegd en heeft men daarom niet direct een afdoend antwoord op de acties
          van Syracuse in 397.
          In de lente van 396 is men echter weer zo ver, dat zij werkelijk aan een
          offensief kunnen gaan denken, maar ook Dionysius is al weer op het
          oorlogspad. Himilco stuurt zijn oorlogs‑ en transportschepen naar
          Panormus. Die eindbestemming krijgen de kapiteins in verzegelde brieven
          mee uit angst voor verraad. Uit deze tijd stamt ook een verbod om Grieks
          te leren, zodat verraad een stuk moeilijker zou worden. De Grieken
          kenden immers nauwelijks Fenicisch.

          Ondanks alles weet Leptinus van Syracuse enige schepen van een
          Carthaagse transportvloot ten noordwesten van Sicilië te onderscheppen.
          Het grootste deel van het expeditieleger komt wel behouden aan in
          Panormus. Het zijn er volgens Timaios 100.000, die later nog met 30.000
          Sicilianen worden aangevuld en dat alles volgens Ephoros op 600
          transportschepen onder begeleiding van 400 oorlogsschepen. Verder zouden
          er 400 strijdwagens meegevoerd zijn. Alles bij elkaar vormt dit een
          enorme macht, als de cijfers tenminste kloppen.

          In korte tijd worden Eryx en Motya heroverd, terwijl Dionysius voor
          Segesta vastgepind zit. Het plan van de Syracusers om de gehele
          Carthaagse epikratie in handen te krijgen, voordat de Carthagers goed in
          actie kunnen komen, heeft gefaald door zeker de weerstand van Segesta en
          Panormus.
          De bevoorrading van het leger van Dionysius stokt zo ver weg van de
          thuisbasis en als ook Halikay zich weer bij de Carthagers aansluit,
          keert Dionysius terug naar Syracuse. Het lenteoffensief is voor Himilco
          een groot succes geworden. Het heroverde Motya wordt niet meer compleet
          opgebouwd, maar in plaats daarvan wordt op de zuidelijk van Motya
          gelegen landtong de basis Lilybaion of Lilybaeum gesticht, dat vrij
          gemakkelijk te verdedigen is en ook gemakkelijker van open zee is te bereiken.

              CARTHAAGSE STRIJDKRACHTEN VOLGENS DE OVERLEVERING
              EN VOLGENS EEN Reële MAXIMALE INSCHATTING.

              JAAR    TIMAEUS EPHOROS            MAXIMAAL
              =========================================
              409     100000  204000                         80000
              406     120000  300000                        100000
              396     130000  303000                        100000
              =========================================

              CARTHAAGSE VLOTEN
              afronding op tientallen                       MAXIMAAL
              ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑--------
              JAAR    OS      TS                            OS   TS
              ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑--------
              409      60     1500                           60  600
              406     120    1000                          120  400
              396     400      600                          220  200
              ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑--------
              Getallen van over de 1000 transportschepen en tegen de
              400 oorlogsschepen lijken erg overdreven te zijn. Ook de
              legers van 300000 man kunnen niet op waarheid berusten.
              Zelfs in de Romeinse tijd komen deze aantallen niet of nauwelijks voor.

          Met de Sicaniërs wordt in volle omvang het oude verbond hersteld en dan
          maakt Himilco zich op voor zijn grootste veldtocht, die nu niet langs de
          zuidkust (waar de Grieken hem verwachten), maar langs de noordkust zal
          gaan en pas zal eindigen voor Syracuse.

              AANTAL TROEPEN PER TRANSPORTSCHIP

              De overleveringen van Timaeus over de sterkte van leger en
              vloot van Carthago op en om Sicilië zijn beduidend lager
              dan die van Ephorus. Ook de verhouding tussen expeditiemacht
              en transportvloot is veel aannemelijker.

              Totaal aantal troepen per transportschip.
              jaar    Timaeus Ephorus             maximaal
              ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
              409      66     136                           133
              406     120     300                          133
              396     166     500                          133
              ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑

          3.6.3.  Himilco's opmars langs de noordkust.

          Vanuit Panormus rukt Himilco zonder al te veel moeilijkheden op langs
          Solus. Hij neemt geen wraak voor het verraad van Thermai het vorige
          jaar, maar accepteert gewoon de overgave van de stad. Hij passeert het
          verwoeste Himera en bejegent ook Cephaloedium vriendelijk. Na Agathyrnum
          stevent de begeleidende vloot naar de Liparische eilanden. Sinds het
          avontuur van Pentathlos in 580 bij het nu net gestichte Lilybaion zitten
          daar Rhodiërs en Knidiërs naar hartelust zeeroverij te bedrijven. Die
          krijgen daarvoor dan nu gevoelig de rekening gepresenteerd. De eilanden
          worden schatplichtig aan Carthago. Ieder jaar dienen zij 30 talenten
          zilver af te dragen. Het leger van Himilco heeft zich inmiddels
          voort gerept langs Mylae naar de noordoostpunt van Sicilië. Als de zomer
          aanbreekt verschijnen leger en vloot van de Carthagers gezamenlijk voor
          het belangrijke Messana, dat de zeestraat tussen Sicilië en Italië samen
          met Rhegion beheerst. Er wordt nabij Peloris een kamp opgeslagen, dat
          door de Messaners scherp in de gaten wordt gehouden. Messana is namelijk
          niet van plan om zich met de Carthagers te verbinden.

          3.6.4.  Himilco's opmars langs de oostkust.

          De Messaanse troepen verlaten verrassenderwijs hun stad om het leger van
          Himilco op de kustweg tegen te houden. In die situatie besluit de
          Carthaagse bevelhebber tot een directe landingsaanval in de haven van
          Messana, die ongetwijfeld dan minder sterk verdedigd zal kunnen worden.
          Met 200 transportschepen wordt een grote troepenmacht rechtstreeks in
          de haven  van Messana gedebarkeerd.
          De stad valt zonder al te veel verzet in handen van de Carthagers. De
          terug naar de stad ijlende Messanen komen te laat om deze ramp voor hen
          te keren. Toch zetten ze het verzet tegen Himilco voort door zich in een
          aantal forten in de omgeving te nestelen. Daarop laat Himilco de muren
          van Messana afbreken en vervolgt zijn weg naar het zuiden.

                  De bezettingsmacht van een fort van Messana geeft zich
                  niet over en probeert zwemmend de overkant bij Scylla
                  te bereiken. Maar een zeer gering aantal gelukt dat.
                  Na de inname van Messana kiezen de meeste Siculiërs de
                  zijde van Himilco. Alleen de Siculiërs van Assorus
                  houden het nog op de Grieken.


Zie: ATLAS VAN DE FENICISCHE & PUNISCHE STAMMEN, STEDEN EN VOLKEN.
          56A.Opmars van Dionysios I naar West-Sicilië (397 v.C).
          56B.De gevechten om Motya (397 v.C).
          56C.Segesta tijdens de opmars van Dionysios I (397 v.C).
          56D.Opmars Himilco langs de Noord- en Oostkust (396 v.C).
          56E.De inname van Zancle/Messana (396 v.C).
          56F.De forcering van de straat van Messana (396 v.C).
          56G.De tocht rond de berg Etna (396 v.C).
          56H.De zeeslag voor Katane (396 v.C).
          56I.Syracuse en omgeving (396 v.C).
          56J.Het centrale deel van Syracuse (396 v.C.
          56K.De Griekse tegenaanval bij Syracuse (396/395 v.C).

          Hij probeert zoveel mogelijk betrekkingen aan te knopen  met de
          Siculiërs in een poging hen te mobiliseren tegen Syracuse. Na de
          stichting van Tauromenion en de verovering van Naxos vestigt hij daar
          dan ook Siculiërs. Dionysius zit ondertussen niet stil en versterkt zich
          met 1000 Spartaanse huurlingen en hij breidt ook nog meer zijn vloot
          uit. Leontinoi wordt weer ommuurd en Aetna (de stad) wordt door de
          Campaniërs bezet. Tenslotte gaat Dionysius zelf met 30.000 man voetvolk
          en 3000 ruiters naar Catane om Himilco daar tegemoet te treden.
          Op zijn weg naar het zuiden wordt Himilco door een onverwachte
          belemmering tegen gehouden. De vulkaan Etna vindt dit het gepaste
          ogenblik voor een grote uitbarsting. Grote lavastromen blokkeren de
          kustweg en voor Himilco zit er niets anders op dan om via het binnenland
          om de vulkaan heen toch Catane te bereiken. Hij volgt daarbij de dalen
          van de rivieren Akesines en Symaithos.

Zancle

Plaats op Sicilië aan de straat van Messina.
Himilco neemt in 396 v.C de stad in. In 264 v.C is de stad het oord, waar de 1e Punische oorlog begint, wanneer de Carthaagse bezettingsmacht in de burcht gedwongen wordt om te vertrekken. Het is dus geen Fenicische of Punische nederzetting, maar diverse malen optredend als bondgenoot of tegenstander van Carthago.

ZANCLE-MESSANA
A.Lazonder. Proefschrift. Academia Rheno-Traiectina,1903.

ncfps