donderdag 22 januari 2015

83.De komst van de Grieken (vervolg)


          Vanuit Syracuse, Zancle, Gela  en  Megara  Hyblaea  worden  weer  andere
          steden gesticht, zoals Acrae, Casmenae, Selinunte,  Himera  en  Akragas.
          Daarmee vond de Griekse kolonisatie zijn grondvorm op  Sicilië.  Slechts
          de westpunt bleef grotendeels onder de  Fenicische  invloedssfeer.  In
          het binnenland weten de Sicaniërs zich nog enigszins staande te  houden.
          De Siculiërs worden echter grotendeels overvleugeld door de Grieken.
          Sommige auteurs twijfelen aan deze alhier geschetste gang van zaken.

          Zo stelt J Boardman in "The Greeks Overseas", dat  mogelijk  de  Grieken
          eerder dan de Feniciërs op Sicilië en in het  grootste  deel  van  het
          westelijke deel van de Middellandse zee aanwezig waren
          Er zijn namelijk nauwelijks of geen Fenicische archeologische vondsten
          gedaan in de tijd tot circa 750. Boardman beroept  zich  tevens  op  het
          oude testament, waarin naar vormen komt, dat  Carthago  in  de  Ionische
          (JAVAN) sfeer gelegen moet hebben, terwijl we bovendien veel  Euboe³sche
          namen aantreffen in het westelijke deel van de Middellandse zee.
          Niettemin bericht de geschiedschrijver Thucydides,  dat  de  Feniciërs
          handel dreven in deze periode  rond  Sicilië.  Dat  moet  ook  wel,  als
          vaststaat, dat zij reeds eeuwenlang schepen  naar  Tartessië  zenden  en
          daarbij kwamen zij onvermijdelijk langs  Sicilië.  Verder  moet  bedacht
          worden, dat de nederzettingen van de Feniciërs tot die tijd  wezenlijk
          anders  waren  dan  die  van  de  Grieken.  Vaak  was  de   Fenicische
          aanwezigheid  ook  niet  permanent   en   veel   van   de   Fenicische
          nederzettingen  werden  later  ondergesneeuwd  door  de  veel  talrijker
          Grieken met hun massa's voorwerpen, gebouwen e.d. Het is  dan  ook  geen
          wonder, dat veel meer en vaker Griekse vondsten zijn gedaan.
          De Feniciërs kwamen voor de handel en vestigden zich zo lang als nodig
          was. De Grieken kwamen echter om er te leven en  zij  doen  dat  pas  in
          Sicilië,  als  Theoklès  bij  toeval  ontdekt,  dat  het   eiland   geen
          schrikbarend oord is, zoals de Feniciërs altijd  hadden  gezegd;  bang
          als zij waren voor de concurrentie van welke andere zeevarende natie dan
          ook.

          Hetzelfde herhaalt zich bij de zuilen van Melkart. Daarachter is  plaats
          voor spookverhalen, enkel en alleen  om  andere  concurrenten  ver  daar
          vandaan te houden. Hanno  zal  grote  vuren  langs  de  Afrikaanse  kust
          beschrijven en Himilco zal het hebben over koude mistige zeëen.
          Zo hebben de  Feniciërs  van  het  eerste  uur  hun  Trinakria  willen
          beschermen door het eiland als een schrikbarend oord te beschrijven.

           DE SCHEPEN
          Het is nog niet de tijd van de triremen. Die komen pas eind 6e/5e eeuw tot
          ontplooiing. Tot deze tijd maakt men gebruik van een GAULOI. Deze  wordt
          voornamelijk voor de kustvaart gebruikt. Een GAULOI is 20‑30 meter  lang
          en 6‑7 meter breed. Zijn diepgang is  slechts  1,5  meter.  De  bemanning
          bestaat uit 20 man. Een wat breder en sterker schip is  de  PENTEKONTER.
          Zijn lengte is 25 meter en hij biedt plaats  aan  2  x  25  roeiers.  De
          PENTEKONTER wordt ook als oorlogsschip gebruikt en is voor verre  reizen
          geschikt.
          Enkele van deze min of meer ronde schepen zijn gevonden te Marsala, Kaap
          Gelidonya, Kyrenia, Mahdia e.d. De Hebreëers noemen deze  ronde  schepen
          over het algemeen TARSISschepen.


          Zie:
          J Morrison   "Long ships and round ships", London 1980.
          M Koch       "Tarschisch und Hispanien", Madrider Forschungen, band 14, Berlin 1984.