donderdag 22 januari 2015

82.De komst van de Grieken.

          2.7.    De komst van de Grieken.

          Voordat de Grieken zich in de westelijke helft van de  Middellandse  zee
          vertoonden, waren de Feniciërs voor het grootste deel heer en meester
          van deze zee. Wat ze daar slechts voor nodig hadden, waren licht bemande
          talrijke factorijen, die  ze  stichten  op  alle  voor hen  toegankelijke  en
          geschikt bevonden kusten (zie blz 43a).
          Het was een lichte oosterse sluier, die schier onopgemerkt over al  deze
          kusten hing en de rijkdommen uit de binnenlanden filterde om met  zwarte
          schepen naar het moederland te brengen.
          Sinds ongeveer 750‑700 blijft de verworven rijkdom meer en meer  in  het
          westen hangen bij vooral Utica en  Carthago,  alhoewel  men  nog  steeds
          formeel 10% van de winst aan Sidon en Tyrus afdraagt als  offer  aan  de
          goden.
          Met de komst van de Grieken,  die  veel  talrijker  en  militaristischer
          waren, moest het karakter van de Fenicische kolonisatie drastisch gaan
          veranderen. In het begin ontruimde men  gewoon  hele  streken,  waar  de
          Griek als kwantitatief dominerende concurrent verscheen. Met die taktiek
          kon men op den duur niet doorgaan. Er moesten in plaats van  factorijen
          sterke steunpunten ontwikkeld worden, wilde het Fenicische volk in het
          westen niet weggevaagd worden. Het  zwaarste  strijdtoneel  zal  Sicilië
          worden, maar reeds daarvoor raakt men slaags bij  Corsica  en  langs  de
          Spaanse oostkust.

          Met de komst van de Grieken als zeevarende en koloniserende  concurrent,
          die getalsmatig de overhand hebben, is het  met  de  glorietijd  van  de
          Feniciërs ook in het westen van de toenmaals bekende wereld gedaan. In
          een uiterste poging weet men, eerst  met  behulp  van  de  Etrusken,  de
          Grieken een halt toe te roepen, maar het is een teken aan de  wand,  dat
          daar de hulp van een andere stedenbond voor nodig is. Een herhaling  van
          wat zich in het oosten voltrok, dreigt ook bij  de  West‑Feniciërs  te
          gaan gebeuren.
          Het is eigenlijk een logische zaak.  De  Feniciërs  zijn  net  talrijk
          genoeg om het handels‑ en scheepvaartmonopolie in  een  onderontwikkelde
          wereld te bemachtigen, maar veel te gering in aantal om die zich in een,
          als  gevolg  daarvan  ontwikkelende  wereld   te   behouden.   Door   de
          Fenicische baatzuchtige "ontwikkelingshulp" prijzen  zij  zichzelf  in
          militair opzicht op den duur uit de markt.

          Door middel van een truc weten de  Feniciërs  nog  een  tijd  lang  de
          Grieken uit hun wereld te houden. Zij doen dat door propaganda. Allerlei
          wilde verhalen over de schrikbarende landen in het westen laten zij rond
          gaan. Het is voor de Grieken een tijd lang genoeg reden om het vooreerst
          met hun kolonisaties in het oosten te proberen. Op  den  duur  werkt  de
          truc natuurlijk niet.

           Boek 221:Thucydides 6,2:

          "MAAR TOEN KWAMEN DE HELLENEN IN GROTE AANTALLEN OVER DE ZEE DAARHEEN EN
          TOEN VERLIETEN DE MEESTE FENICIëRS HUN PLAATSEN EN TROKKEN ZICH  TERUG
          OP MOTYA, SOLUS EN PANORMUS IN DE BUURT VAN DE ELYMIËRS, VERTROUWENDE OP
          HUN BONDGENOOTSCHAP MET DE ELYMIëRS EN TEVENS,  OMDAT  VANDAAR  CARTHAGO
          HET SNELST OVER ZEE TE BEREIKEN IS."


                  Sommige hedendaagse historici zijn een heel andere
                  mening toegedaan. Op grond van het gebrek aan vol‑
                  doende archeologische vondsten wordt de vroege aan‑
                  wezigheid van de Feniciërs betwijfeld. Maar waarom
                  zou Thucydides fabeltjes ten gunste van het door de
                  Grieken en Romeinen verguisde volk vertellen?

Map 12.17.Kooplieden, soldaten, geleerden, J.Boardman.

          2.7.1.  Enige oorzaken van de Griekse opmars.

          Allereerst was er de relatief grote bevolkingsdichtheid in Hellas  zelf.
          De eveneens ondernemende Grieken leerden van  de  Feniciërs  voor  een
          goed deel de scheepvaart en gingen het oosterse volk  achterna  naar  de
          vreemde kusten. Daarbij komt, dat de Feniciërs met  de  komst  van  de
          Assyriërs hun ijzerexport (moesten) stilzetten. Zij hadden dat materiaal
          eerst  hard  nodig  voor  wapens  ter  verweer  voor  henzelf   en   hun
          bondgenoten; daarna moesten ze het aan de Assyriërs  gaan  leveren.  Het
          gevolg  daarvan  is  weer,  dat  de  Grieken  zelf  op  zoek  gaan  naar
          ijzervindplaatsen en die liggen voornamelijk in het westen.
          Tenslotte was er nog de vlucht als drijfveer om te emigreren,  maar  dat
          krijgt pas wezenlijke betekenis bij de opmars der Perzen.

          2.7.2.  Verlies van de Italiaanse steunpunten.

          De Griekse expansie richt zich in het oosten vooral  op  de  kusten  van
          Klein‑Azië. In het westen is het Italiaanse  schiereiland  hun  doelwit.
          Daar vestigen zij zich vooral in het  zuiden.  Enkele  beroemde  Griekse
          steden worden hier Tarentum, Rhegion, Neapolis, Hyele en Sybaris.
          De Feniciërs  ontruimen  in  dit  gebied  zonder  slag  of  stoot  hun
          provisorische posities, welke die  ook  exact  geweest  mogen  zijn.  Er
          gebeurt hetzelfde als een paar eeuwen tevoren in de  Egeïsche  zee.  Ook
          toen ontruimden de Feniciërs hun posities zonder al te veel misbaar in
          de hoop verder met rust gelaten te worden. Dat doen de Grieken niet meer
          en zij strijken neer op Sicilië, Corsica, Zuid‑Frankrijk en  Spanje.  In
          Italië krijgen de Grieken  voor  het  eerst  oppositie  en  wel  van  de
          Etrusken, die net Campanië binnen hun invloedssfeer hadden getrokken.

D.Harden gaat in zijn boek “The Phoenicians” ervan uit, dat de Grieken de eerste kolonisatoren van Sicilië en Zuid-Italië zijn geweest. Als de Feniciërs er nederzettingen hadden, dan zouden ze die tegen de (toen nog zwakke?) Griekse penetraties best hebben kunnen verdedigen!

 J P MOREL "LES PHOCÉENS EN OCCIDENT, CERTITUDES ET HYPOTHÈSES"
                     IN:LA PAROLA DEL PASSATO, NAPOLI 1966.
F v BISSING "STUDIEN ZUR AELTESTEN KULTUR ITALIENS III
                       KARTHAGO UND SEIN GRIECHISCHEN UND ITALISCHEN
                       BEZIEHUNGEN"

De westelijke Grieken.
In Castellucio op Sicilië zijn vondsten gedaan, die wijzen op een contact met de Kretenzische wereld (Siculisch I 2400-1400 v.C). In Thapsos vinden we importen uit Mycene (1400-800 v.C) en te Pantalica dezelfde importen maar dan uit de periode 1000-800 v.C). Echt Griekse geometrische importen stammen uit de periode 800-650 v.C (Siculisch III) en werden gevonden te Finachitto.
Het moet onwaarschijnlijk geacht worden, dat de Feniciërs op de westkust van Sicilië ook daadwerkelijk eigen permanente nederzettingen hebben gehad hebben. Een factorij in een bestaande stad zou wel tot de mogelijkheden kunnen behoren. Bij de stichting van Gela op de zuidkust zou een Fenicische piraat betrokken zijn geweest (Zenob.I,54). De werkelijk aantoonbare contacten tussen de Grieken enerzijds en de Feniciërs & Carthagers anderzijds zijn de volgende:
648               Bij de stichting van Himera wordt Thermai door de Feniciërs opgegeven.
638               Kolaios van Samos dringt door tot Tartessos
628               Bij de stichting van Selinus wordt Mazara door de Feniciërs opgegeven.
Ca.600:Foceesche tochten naar Mainake, Hemeroskopeion, Olbia en Massalia.
580               Inval van Pentathlos afgeweerd.
Veldtocht Malchus op Sicilië.
560               Malchus verovert Sardinië voor een belangrijk deel.
540               Zeeslag bij Alalia: Foceërs trekken zich terug van Corsika.
Tussen 535-510: Hasdrubal+Hamilcar sneuvelen op Sardinië
510               Inval Dorieus afgeslagen.
509               Iberië wordt verboden terrein voor de Grieken.
505?        Euryleon te Herakleia Minoa.
480               Veldslag bij Himera.

Zie Map 17.2 The western Greeks   T.J.Dunbabin      Oxford 1948 Clarendon Press
        The History of Siciliy and South Italy from the foundation of the Greek Colonies to 480 BC
           2.7.3.  Massalia en de Phokeërs.

          Rond 600 verrijst in Zuid‑Frankrijk op de plaats van  het  tegenwoordige
          Marseille een nieuwe Griekse kolonie, die een belangrijke rol  zal  gaan
          spelen. Het zijn de zeevaarders uit Phokaia in Klein‑Azië, die deze stad
          grondvesten. Van hieruit zullen nieuwe  kolonies  op  de  Ligurische  en
          Iberische kusten gesticht worden.
          De Rhodiërs hebben zich al genesteld in wat nu  het  Spaanse  Rosas  is.
          Later werd dit Rhode in bezit genomen door de Massalianen.  De  Phokeërs
          stichten in 545 het wat zuidelijker gelegen Emporion.  Ook  Hemeroskopeion,
          Dianion en Mainake zullen door  hen  gesticht  worden,  waarmee  ze  het
          “Fenicische” Spanje binnendringen.
          Massalia bouwt de belangrijke  landroute  door  het  Rhônedal  naar  het
          noorden uit en start aan de Rivièra Antium, Nikeia, Monoecus en Amelus.
          Op de weg naar Massalia toe trachten de  Phokeërs  tenslotte  Alalia  op
          Kyrnus (Corsica) als steunpunt in gebruik te nemen. Dat alles moet in de
          zesde eeuw wel tot een zware confrontatie met de Feniciërs leiden.

          2.7.4.  De Grieken op Sicilië.

          Al in 753 landen er Doriërs aan de voet van  de  Etna.  Een  jaar  later
          vestigen zij zich op het eiland Ortygia, hetgeen het begin van  Syracuse
          betekent. De Grieken bouwen meteen complete steden, die  het  achterland
          zijn gaan overheersen. De inheemse bevolking wordt gewoon verdrongen  en
          met hen de Feniciërs, die vooral  naar  de  westpunt  van  het  eiland
          vluchten.  Een  compleet  andere  vorm  van  kolonisatie  dus   dan   de
          Feniciërs tot dan toe in practijk gebracht hadden. Over  het  algemeen
          bleven die met toestemming van de plaatselijke bevolking  in  een  klein
          provisorisch steunpunt en betaalden bovendien veelal huur of  pacht.  De
          Grieken niet; die bevechten te vuur en te zwaard hun posities.  Men  kan
          zich afvragen wie eigenlijk de "barbaren" in de oudheid waren.
          In 729 worden Leontinoi en Katane uit de grond gestampt. Op den duur  is
          het grootste deel van zuid‑ en oost‑Sicilië in handen van de Grieken. In
          het begin is het versplinterde Fenicische bestel nauwelijks  in  staat
          om enige vorm van  weerstand  te  bieden.  Ze  zijn  immers  kooplui  en
          zeelieden en bepaald geen soldaten.  Bovendien  zijn  ze  te  gering  in
          aantal om militair ook een faktor van betekenis te vormen.  Daar  zullen
          ze later wat op vinden. Naarmate de tijd  verstrijkt  en  vele  posities
          moeten worden opgegeven,  wordt  hun  vastbeslotenheid  om  het  eiland,
          althans niet geheel, op te geven steeds groter.
          De Grieken gaan ondertussen verder met het afgrendelen van de straat van
          Messina door de creatie van Zancle en Rhegion in 730.
           Zie:J Boardman "The Greek overseas".
              J P Morel  "Les Phocéens dans l'extrême occident vus depuis Tartessos"
                          in:La Parola del passato, Napoli 1966
                         "L'expanse Phocéenne en occident", Ecole Française d'Athènes.
              E Lepore   "Strutture della colonizzazione focea in occidente"
                          in: La parola del passato, Napoli 1970.

Feniciërs en Foceërs op de z.g. OUSSA lijn.
De Foceërs behoren tot de Ionische tak van de Grieken. Ze stichten, of zijn aanwezig in het verre westen in o.a. Ampurias (575 v.C), Massalia, Olbia (350-325 v.C), Genua (5e eeuw v.C), Aleria (6e eeuw v.C), Gravisca (=Porto Clementino) en Velia (gesticht tussen 580-540 v.C). Met name op Sardinië, Corsika en Spanje komen de Foceërs in aanvarig met de Feniciërs & Carthagers & Etrusken.

13.9  Extrait des mélanges de  l'école francaise de Rome J.P.Morel   Colonisations d'occident
                                                                                           MEFRA tome 84 1972 1
                                    
Feniciërs en Foceërs in Keltiberië.
In Keltiberië is de Foceesche invloed maar zeer sporadisch aangetoond. Slechts in Catalonië is het duidelijk. Andersom zien we sporen van Punische handel in de Lanquedoc. Dat behoeft nog geen aanwezigheid van de Feniciërs of Puniërs te betekenen, maar hun handelsproducten zijn er wel.

13.10 Récentes recherches  J.P.Morel        Bulletin de la société
           sur la colonisation                            francaise d'archéologie
           phocéenne en occident                     classique VIII, 1973/74
                               
Feniciërs en Foceërs in Gallië.
Niets wijst op een Foceese invloed op de Gallische kust van voor de 6e eeuw v.C. In Aude/Sigean treden dan importen op van amforen, die voor 38% Fenicisch/Punisch, voor 32% Grieks en voor 30% Etruskisch zijn. Per plaats verschilt het echter nogal, want elders (Bessan, Mailhac, Montlamès) zijn de importen voor 63% Etruskisch en voor slechts 1,3% Punisch. In het westen van de Lanquedoc schijnen de Fenicisch/Griekse importen te domineren en in Oostelijk Lanquedoc zijn dat de Etruskisch/Griekse.
Massalia breidt zijn invloed pas wezenlijk uit in de 5e en 4e eeuw v.C. Andere bekende plaatsen zijn Ruscino, Alonis, Dianion, Hemeroskopeion, maar de meeste daanvan liggen al veel zuidelijker in Spanje. Zeker in de vele Fenicische nederzettingen op de zuidkust van Spanje komen in de 7e eeuw v.C. zeer weinig Grieks materiaal tegen. Er zijn wat geisoleerde vondsten in Jerez en Huelva, maar waarschijnlijk hebben de Feniciërs die zelf meegenomen.
Veelal wordt de grijze monochrome keramiek gebruikt als aanduiding voor een Foceese aanwezigheid, maar ook de Feniciërs maakten dat. Het onderscheid is toch aan te geven, doordat de Fenicische versie minder duurzaam en ook minder compact was.

13.11 L'expanse Phocéenne  J.P.Morel        Extrait du bulletin de
           en occident                                        correspondence hellénique
                                                                      Ecole francaise d'Athenes
                                                                     Tome I Des communications   presentées