dinsdag 19 augustus 2014

45.Na de val van Tyrus.

          3.5.3.  Na de val van Tyrus.
 
          Na de eliminatie van de Tyriërs is de weg vrij naar het zuiden. Er wordt
          geen tegenstand geboden. Alleen in en voor Gaza vormen  zich  problemen.
          De stad werd bewoond  door  Arabieren,  die  het  Macedonische  leger  2
          maanden wisten  te  weerstaan.  Daarna  wordt  de  mannelijke  bevolking
          uitgemoord en de rest  wordt  als  slaven  verkocht.  Het  wordt  steeds
          onduidelijker, waarom Alexander wel de Grote wordt genoemd.
          Na de slachtpartij in Gaza verovert Alexander  "en  passant"  Egypte  en
          overweegt een ogenblik ook om door te gaan naar Carthago. Daar ziet  hij
          vanaf, omdat eerst de Perzen definitief  verslagen  moeten  worden.  Dat
          gebeurt op de slagvelden van Gaugamela en Marbela, waarna Darius  en  de
          resten van zijn  leger  zonder  pauze  worden  achtervolgd,  totdat  zij
          ophielden te bestaan.
          Het grote rijk van Alexander strekte zich uit tot  aan  de  Indus.  Vast
          staat, dat Alexander op zijn tocht ver naar het  oosten  ook  nogal  wat
          Feniciërs  meenam.  Dezen  zullen  onder  Nearchos,  de   Kretenzische
          admiraal, bijgedragen hebben aan de bouw van de vloot, waarmee een  deel
          van de troepen teruggingen door de Perzische golf naar Babylon.
 
          Een van de laatste opdrachten van Alexander, was die aan Nearchos om met
          zijn Kretenzers en de Feniciërs een vloot te bouwen aan  de  Kaspische
          zee en  daar  de  zee  en  landen  daaraan  te  verkennen.  Het  typeert
          eigenlijk, waarom Alexander werkelijk de Grote te  noemen  is.  Dat  was
          vanwege zijn ondernemingslust en zijn  wil  tot  het  verkennen  van  de
          wereld tot de uiterste grenzen.
                  DE FENICISCHE VLOOT, die voornamelijk uit schepen van Aradus,
                  Byblus en Sidon bestaat, wordt onmiddellijk weer ingeschakeld.
                  Honderd Fenicische en Cyprische schepen worden naar de
                  Peloponnesus gestuurd om daar toezicht te houden.
          3.5.4.  De schepenweg naar Thapsacus.
          Nadat de Macedoniërs het Perzische rijk opgerold hadden, kwamen er  meer
          constructieve ideeën naar voren. Alexander's aandacht  ging  onder  meer
          uit naar de zeeën rond Arabië. Om die te exploreren was een grote  vloot
          nodig in de Perzische golf. Vandaar dat  vele  Fenicische  en  Griekse
          timmerlui naar Babylon werden gezonden om daar een vloot  in  elkaar  te
          timmeren. Ook werden er schepen in onderdelen van de  Fenicische  kust
          naar ded Eufraat getransporteerd. In totaal gingen zo'n 317 schepen deze
          weg naar Thapsacus. Dat is een plaats, waar de Eufraat bevaarbaar is  en
          daar werden de schepen weer in elkaar gezet. Tot deze  vloot  behoren  2
          penteren, 3 treteren, 12 triëren en ca.300 kleine triakonters. *
          Tot een uitvoering van de expeditie is het nooit gekomen in de zin,  dat
          Arabië in die tijd omvaren werd.De dood van Alexander heeft dat  in  323
          verhinderd. Er is in ieder geval geen verder bericht over overgeleverd.
 
          3.5.5.  Na Alexander....
          Na de dood  van  Alexander  in  323  valt  zijn  grote  rijk  uiteen  in
          verschillende onderdelen. De eerste heerser  over  het  gebied,  waartoe
          Syrië en Fenicië behoren, is Laomedon. Maar reeds  na  een  paar  jaar
          komt de Levantkust onder een dynastie, die het langer zal uithouden. Het
          zijn de Seleuciden, die ten koste van de andere Diadochenrijken hun staat
          behoorlijk weten uit te breiden. Nog eenmaal komt Tyrus, ondanks de
          vernietiging door Alexander tot enige bloei en met Tyrus de hele kust van
          Fenicië. In 315 heerst er Antigonos, wiens zoon Demetrius werkte aan de
          opbouw van  een  geweldige vloot, die te Cyprus en aan de Fenicische kust
          zijn thuisbasis had. Deze vloot moet er ongeveer als volgt uit gezien hebben:
 
          tabel 7. De vloot van Demetrius.
          ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
                          rijen roeiers aan 1 zijde
          180 triakonters     1‑2
          37  triëren         3
          10  penteren        5
          3   henneren        3
          10  dekeren         10 of >
          ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑
          ca.240 schepen in totaal.
 
          Vooral de henneren en penteren moeten geweldige bouwwerken geweest zijn,
          die nauwelijks nog manoevreerbaar waren te noemen. Op  deze  zeekastelen
          werden verhoudingsgewijs meer zeesoldaten en  wapentuig  meegevoerd.  De
          zeegevechten veranderden hierdoor ook steeds meer van karakater. Vroeger
          stond de ramtechniek hoog in het vaandel geschreven. Nu werd het meer en
          meer lijf aan lijf werk door middel van entering.
         
                  NUMISMATIEK
                  In Byblus blijft in de Griekse tijd het eigen koningshuis rege‑
                  ren. Op munten uit die tijd zijn de namen Ainel(=Enylus) en
                  Adramelek traceerbaar. Van Aradus zijn tot dusverre geen ko‑
                  ningsnamen bekend van na 332, maar van munten weten we, dat er
                  toch een Straton(=Abdas(h)tarte) geregeerd moet hebben.
                  Ook in Tyrus blijven waarschijnlijk de Fenicische koningen nog
                  gehandhaafd. De munten worden weliswaar via de Attische
                  standaard gemaakt, maar de initialen er op zijn van Fenicische
                  aard: beth, mim en 'ain. De volledige namen van de koningen zijn
                  ons niet bekend. Vanaf 306 komen er ook munten met Griekse mono‑
                  grammen. Mogelijk zijn dan ook de Fenicische koningen in Tyrus
                  van het toneel verdwenen.
 
 
                               Zie:Les cités phéniciennes dans l'empire d'Alexandre le Grand,
                                   F.Verkinderen, OLA 22, Leuven 1987.
 
 
Map 19.7.Arrianus, Anabasis Alexandri, Harvard Univ. Press, Cambridge, Massachusetts, William Heinemann, London, 1966.
 
          In de zeeslag voor (alweer!) Salamis te Cyprus strijden Grieken tegen
          Grieken  en  Feniciërs  tegen  Feniciërs.  Omstreeks  306  betwisten
          Ptolemeus van Egypte en Antigonos van Syrië elkaar de hegemonie ter zee.
          De schepen van de Egyptenaren bedienen zich nog goeddeels  van  de  oude
          ramtechniek en overwinnen. Anatolië gaat voor Antigonos verloren op  het
          slagveld van Ipsus, alwaar  hij  klem  geraakt  is  tussen  Seleucos  en
          Lysimachos. Zijn zoon Demetrios  weet  zich  nog  op  zee  enigszins  te
          handhaven. Op een gegeven moment weet hij zelfs Griekenland en Macedonië
          in  handen  te  krijgen.  Hij  blijft  zijn  vloot  met  grote   schepen
          uitbreiden. Op den duur wordt hij  echter  door  Seleucos  verslagen  en
          gedeelten van zijn vloot vallen aan Egypte toe.