zaterdag 2 augustus 2014

32.Ondanks alles.....

          3.1.10. Ondanks alles....
 
          Ondanks alle beproevingen in het thuisland, gingen de  Feniciërs  door
          met hun reusachtige onderneming: de ontdekking  en  kolonisatie  van  de
          kusten van de Middellandse zee. Op hun schepen waren ze weer vrij man en
          ook hun kolonies en factorijen waren voor  het  grootste  deel  vrij  en onafhankelijk.
          In het begin domineerde vooral het economische gewin als drijfveer  voor
          de welhaast onbezonnen  moeilijke  tochten  overzee,  waarbij  men  zich
          vooral op de kleine beer als sterrenbeeld oriënteerde. Men zocht  vooral
          naar de noodzakelijke delfstoffen als tin, koper, goud  en  zilver.  Dat
          bleef men doen, maar er kwam een belangrijke drijfveer bij, n.l. die van
          vrij en onafhankelijk zijn.
          De zee werd steeds meer hun toevluchtsoord. Als het even kon bouwden  ze
          hun factorijen nog in zee ook. Het land was er slechts om de  handel  met
          de inheemse bevolking te  bedrijven.  Verder  leverde  het  alleen  maar
          gevaar op. Carthago  ging  daar  op  den  duur  anders  over  denken  en
          ontwikkelde tenslotte in het achterland belangrijke landbouwgebieden.
          In de 7e  eeuw  zaten  de  Feniciërs  werkelijk  zowat  overal  in  de
          Middellandse zee, maar ook daarbuiten op kusten van en  eilanden  in  de
          Atlantische oceaan. In de Middellandse zee waren ze nu in Italië (bij de
          Etrusken) te vinden, verder op Sicilië, Sardinië, Iberië, de hele Noord‑
          Afrikaanse kust, Cyprus, Cilicië én in Egypte. In de stad Memphis was er
          zelfs een aparte Tyrische wijk. Alleen  in  de  Egeïsche  zee  waren  ze
          nauwelijks meer te vinden. Daar zijn de Grieken tot een grote zeevaarts‑
          en handelsontplooiing gekomen. Ook in  Cyprus,  Sicilië  en  Zuid‑Italië
          melden de Grieken zich steeds meer. Ondanks  de  Griekse  concurrentie  blijft  de  Fenicische  handel en scheepvaart zich verder ontwikkelen.  Het  zwaartepunt  verplaatst  zich langzaam van de oosten naar het westen. De rijkdommen,  de  metalen,  de goederen en de schepen worden niet meer primair aan de Levant verzameld, maar steeds meer te Utica, Motya,  Tharros,  Gadir  en  Lixus.  Het  zal uiteindelijk Carthago zijn, die de leiding van de Fenicische wereld op zich neemt.
 
          Vanuit het Egeïsche Thera vestigen de Grieken zich in 632 in  Cyrene  op
          de Noord‑Afrikaanse kust (zie blz 76a). Toch blijven de  Feniciërs  hun
          lange moeizame verbinding tussen voornamelijk Tyrus en Carthago overeind
          houden. De stichting van Cyrene betekent niettemin een zware aanslag  op
          de continuïteit van de verbinding.
         XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX
 
Zie map 13.17.Archaic Greece. The City States c.700-500 B.C. L.H.Jeffrey, 1976, Cambridge.